In Liefde Bloeyende

Han G. Hoekstra (1906-1988)

OP EEN AVOND

Gij zijt er op een avond, want een vrouw

liet u ontglippen aan haar moede schoot

die onder pijnen opende en sloot

bitter of blij over wat komen zou.

Gij zijt er, en der avonden getal

vermeerdert, en ge leeft tussen wat leeft

bij mens en dier, bij al wat adem heeft

bitter of blij over wat komen zal.

Ge zijt er, en het leven leert zijn leer

ge stoot er overal op goed en slecht

op dingen waar men tot het eind voor vecht.

En op een avond zijt gij er niet meer.

Dit is echt zo'n aha-gedicht, een gedicht van herkenning waarvan je niet begrijpt, als je het eenmaal hebt gelezen, dat het er ooit niet was. 't Is ook een erg citabel gedicht - om er een gezelschap mee te verbazen en je zelf, al citerend, te profileren als filosofisch getint medemens. Die zit, denk je bij de laatste regel, terwijl je opzettelijk nalaat triomfantelijk te kijken. Dáár kunnen jullie het mee doen.

Het is een gedicht dat niet minder dan het hele leven bestrijkt. Van de wieg tot het graf, zal ik maar zeggen. Wat er vooraf ging aan de geboorte en wat er zal gebeuren na het sterfbed, het komt in het gedicht niet aan bod. Toch is het luidruchtig aanwezig. De grenzen zijn tot op de dag afgebakend, in de eerste regel komt iemand ter wereld en in de laatste regel stapt iemand er af - maar het leven daartussen wordt door de dichter zo wijs, zo begrijpend en vooral zo op zevenmijlslaarzen besproken dat men als het ware voelt dat er 'meer' is, ja dat het onuitgesprokene eigenlijk het onderwerp is. Het gedicht doet of het over het leven gaat, maar het gaat over de dood. Het wil nuchter klinken, maar het masseert het geheim niet weg.

Daarom waarschijnlijk is het zo herkenbaar en citabel voor veel mensen. Het biedt sentiment zonder troost, of troost zonder sentiment, precies zoals ze het zelf willen zien. Een hoge vlucht in bevattelijke woorden, kom daar in de poëzie eens om.

Dit is een gedicht dat mensen aanspreekt en als trouwe vriend kan vergezellen, en daarom is het een voortreffelijk gedicht. Ik wil daar niet smalend over doen. Toch valt het geheel en al onder dat soort poëzie 'met van alles een beetje', u kent het wel. Romantiek met een vleugje skepsis, weemoed met een scheutje ironie, wijsheid met een korreltje ik-domoor-weet-het-ook-niet. Het hinkt op de verbeelding en toch op de realiteit, het klinkt aards en toch dichterlijk. Kortom, het is stront noch slagroomtaart.

Het kenmerk van de poëzie van Han G. Hoekstra is, zegt de encyclopedie, dat ze bitter en vertederd tegelijk is. Het verbaast me niks. Teder en verbitterd tegelijk had er ook kunnen staan.

'Bedwongen emotie', zegt de encyclopedie verder. Wat moet een dichter anders met emotie? Innaaien of marineren? De encyclopedie bedoelt er, neem ik aan, mee dat de dichter een scheutje gevoel paart aan een half onsje zelfbeheersing. Hij is een beetje mild en hij is een beetje

opstandig- ge stoot er overal op goed en slecht, op dingen waar men tot het eind voor vecht - hij is, voor de drommel, alles een beetje tegelijk. Nu doe ik toch smalend. Ik weet hoe het komt. Humanistische, universele en waardige gedichten als deze hebben de eigenschap dat je er niet al te dicht bovenop moet gaan staan. Dan storen je al snel een paar dingen. Ik heb het niet eens over een stoplapzin als bij mens en dier, bij al wat adem heeft die me verdacht doet denken aan Rudi Carrells Ik ben zo blij dat ik een stukje van de wereld ben - en dat ik méééé mag doen met al wat leeft, en mee mag áááááádemen met al wat adem heeft - want daar kon Han G. Hoekstra in het jaar dat zijn gedicht verscheen (1940) geen weet van hebben, maar eerder over een zekere bluf en slordigheid. Zo gebruikt hij in de eerste strofe woorden als ontglippen en moede schoot, wat op gemak en een zekere overgave duidt, maar de pijnen en de actieve werkwoorden in de derde regel kloppen weer niet met dat idee van losjes, zomaar. Goed, je kan tenslotte vermoeid zijn en pijn hebben tegelijk, maar in de vierde regel is de vrouw ook nog eens bitter of blij. Wat is ze nu? Moe, vol pijn, bitter, blij? Van alles een beetje, denk ik.

Bovendien doet die woordkeus van moede schoot en ontglippen nu wat ouderwetserig aan. 'Een vrouw', dat hoor je daar met getuite lippen bij uit te spreken, fffrou, of het Helena zelf betreft.

Zulke details terzijde, de boodschap van de dichter is, door zijn ontglippen aan het begin en door zijn slotregel, glashelder. Zo ben je d'r, en zo ben je d'r niet.

Laten we blij zijn dat er voor de begeleiding van dat schokkend besef gedichten bestaan. Een zekere geliktheid is blijkbaar nodig om zo'n loei van een generalisatie in zo'n beknopte vorm onder te brengen. Ik kan me goed voorstellen dat mensen getroffen worden door het contrast tussen simpelheid en veelomvattendheid in een gedicht als dit.

't Is een slijmgedicht, maar een lekker slijmgedicht.

Ach, we zijn allemaal wel eens van alles een beetje. Een beetje kritisch en een beetje toegeeflijk. Want op een zondagochtend om twintig over zeven zijn wij er niet meer.