Gewervelde viervoeters veroverden de wereld in amper 120 miljoen jaar

In oceanen kunnen nieuwe soorten zich (geologisch gezien) zeer snel verspreiden, vooral indien ze in een bepaald ontwikkelingsstadium door golfstromen kunnen worden meegevoerd. Voor levensvormen op het land geldt dat alleen (en dan nog in mindere mate) voor vormen die door de wind verspreid worden.

Lopende soorten hebben veel meer tijd nodig, ook al omdat ze bij hun expansie regelmatig worden geconfronteerd met milieus waarin ze niet kunnen overleven: dergelijke gebieden moeten ze via een omtrekkende beweging passseren (wachten op 'betere tijden' kost gewoonlijk veel meer tijd).

Omdat paleobiogeografische gegevens in aantal en detail afnemen naarmate men verder teruggaat in de geologische tijd, is het vaak moeilijk uit te maken hoe bepaalde taxa zich uit hun ontwikkelingsgebied over de aarde hebben verspreid. Dat geldt zeker voor landdieren, omdat die relatief weinig kans maken om te fossiliseren, en nog minder dat hun fossielen worden gevonden door een deskundige die er iets mee doet. Het gevolg is dat er nog vrij weinig bekend is van de eerste verspreidingspatronen van op het land levende taxa. In Nature (27 juni, p. 777) wordt een tipje van de sluier opgelicht voor de tetrapoden (op vier poten levende gewervelde dieren).

De tetrapoden ontstonden in het Laat-Devoon (circa 370 miljoen jaar geleden), toen de verdeling van land en zee heel anders was dan thans. Ze leken aanvankelijk beperkt te blijven tot delen (het huidige oostelijk Noord-Amerika, Groenland en westelijk Europa) van een supercontinent. Fossiele resten van devonische tetrapoden zijn recent echter ook ontdekt in het huidige Australië; dat lag destijds niet direct tegen de andere verspreidingsgebieden aan. De nieuwe vondsten suggereren dat de eerste tetrapoden (amfibieën) zich min of meer gelijktijdig ontwikkelden over het gehele landgebied dat destijds op of nabij de evenaar lag.

Uit andere recente vondsten blijkt dat de tetrapoden in het Vroeg-Carboon (circa 325 miljoen jaar geleden) reeds een uitgestrekt gebied hadden 'veroverd': ze waren toen tot ongeveer 50ß8 NB en 30ß8 ZB doorgedrongen. Deze paleobiogeografische reconstructie is overigens nog niet in alle toenmalige gebieden tussen deze breedtegraden door feiten gestaafd: er zijn nog geen fossiele vondsten bekend uit onder meer Turkije, Arabië, Iran en Tibet. Er kan in deze gebieden nu echter wel meer gericht naar dergelijke fossielen worden gezocht - een typisch voorbeeld van de interactie tussen succesvol veldonderzoek en modellen.

Gelijktijdig met de uitbreiding van het leefgebied vond ook een diversificatie binnen de tetrapoden plaats. Dit vergemakkelijkte een verdergaande verovering van het land, doordat de nieuwe soorten zich aanpasten aan de eisen die de diverse leefmilieus stelden. Voor de tetrapoden in hun totaliteit werden 'omtrekkende bewegingen' daardoor van steeds minder belang. Tijdens het Midden-Perm (circa 250 miljoen jaar geleden) kwam er een eind aan de verdere verspreiding: de gehele aarde was veroverd.