Frits Becht stelt een poel van middelmatige kunst samen

Tentoonstelling: NOG maar net. Van Reekum Museum, Churchillplein 2, Apeldoorn. Di t/m za 10-17u. Zo 13-17u. T/m 25 augustus.

Het komt als een opluchting. Als de toeschouwer driekwart van de tentoonstelling NOG maar net in Apeldoorn heeft gehad, ligt daar plotseling Driedimensionale typografie II van Joseph Semah. Eigenlijk is het niet zo'n erg bijzonder beeld: over de vloer ligt een achttal dikke, verroeste platen schots en scheef naast elkaar, daaronder liggen acht bronzen hanen, die groen zijn uitgeslagen. De hanen verkeren in een benarde positie, omdat ze onder de platen gevangen zijn - af en toe steekt er een paar poten onderuit, of een staart of een kop. Driedimensionale typografie II is een redelijk, enigszins anekdotisch beeld, waar je even om kunt grinniken en dat er aantrekkelijk uitziet door het contrast tussen het groene koper en het oranje ijzer - maar meer is het niet.

Toch is het het hoogtepunt van de tentoonstelling. Twee jaar geleden nam verzekeringsmaatschappij NOG het lovenswaardige initiatief een collectie van hedendaagse beeldende kunst aan te leggen. Die collectie zou niet zijn bestemd voor het hoofdgebouw, en ook niet worden aangelegd als belegging, maar moest functioneren als een 'dakloze collectie' waaruit musea vrij werken in bruikleen zouden kunnen krijgen, in aanvulling op hun eigen verzameling. Jaarlijks stelde NOG 200.000 gulden beschikbaar - een bedrag dat menig provinciaal museum het water in de mond zou doen lopen en waarvan met gemak een mooie, originele en gedurfde verzameling is samen te stellen. Voor die samenstelling werd een man aangesteld: collectioneur en kunstbestuurder Frits Becht.

Wat Becht de afgelopen twee jaar bij elkaar heeft gebracht is nu te zien in het Van Reekum Museum in Apeldoorn en wie het idee van NOG sympathiek en idealistisch vindt zal bij het zien van NOG maar net het schaamrood op de kaken springen. De NOG-collectie blijkt een laffe, benepen verzameling te zijn geworden; een poel van middelmatigheid, die in alles strijdig is met de uitgangspunten die de verzekeraar twee jaar gelden formuleerde.

Het meest woedendmakend aan NOG maar net is het volstrekte gebrek aan durf dat Becht bij het verzamelen aan de dag heeft gelegd. Iedereen die maar een greintje hart voor moderne kunst heeft, zou met die 200.000 gulden een sprankelende collectie kunnen opbouwen met werk van de vele, zeer getalenteerde jonge kunstenaars die er in Nederland rondlopen. Zo niet Becht: die kocht alsof hij zijn eigen pensioenverzekering moest veiligstellen. De NOG-collectie bestaat voor 90% uit kunstenaars van ouder dan veertig, die technisch vaardig en beschaafd werk maken, maar waar niemand zich een buil aan kan vallen en die al in overvloed in Nederlandse musea aanwezig zijn.

Daar komt bij dat Becht in zijn keuzes iedere vorm van twijfel of verwarring, waarvan de beeldende kunst op dit moment vol zit, heeft vermeden. Bijna al zijn keuzes zijn artistieke decoratie: een beetje 'gek' maar toch beschaafd - kunst voor een directiekamer. In zo goed als alle uitverkoren werken zit een vleugje vervreemding (Axel van der Kraan, Marcos Lora Read, Helen Frik, Ossip) een beetje gepriegel (Marlies Appel, Greet Schutte) of een scheutje wildheid (Frank van Hemert, Hilarius Hofstede) - maar altijd in het beschaafde natuurlijk. Bovendien heeft Becht geen keuzes durven maken: in plaats van een paar grote, spraakmakende werken aan te schaffen, die musea niet durven kopen omdat ze te riskant of te duur zijn, koos hij voornamelijk voor prenten en tekeningen, die overal al worden aangekocht.

Hoe dodelijk de atmosfeer in deze verzameling is blijkt als je het werk ziet van getalenteerde kunstenaars als Benoît Hermans, David Bade en Berend Hoekstra; zelfs hun aardige werken slaan volkomen dood in deze collectie. En zo wordt NOG maar net een tentoonstelling waarover je je als toeschouwer ontzettend kwaad kunt maken - zoveel desinteresse en zoveel gemiste kansen zie je niet vaak bij elkaar.