Dwergmuismaki krijgt meer zonen als ze urine van andere wijfjes ruikt

Al langer is duidelijk dat ook bij zoogdieren de geslachtsverhouding tussen voortgebrachte jongen niet simpelweg vastligt op half om half. De lijst met soorten waarbij afwijkingen gevonden zijn groeit. Daarop hebben nu ook de dwergmuismaki's een plaats gevonden, minieme bosbewoners van Madagascar.

De geslachtsverhouding onder generaties dwergmuismaki's blijkt sterk te wisselen, al naar gelang de sociale omstandigheden.

Grijze dwergmuismaki's (Microcebus m. murinus) lijken op de eveneens nachtelijk levende Afrikaanse galago's of bush-baby's. Net als de andere halfapen van Madagascar zijn ze in hun voortbestaan bedreigd. Bij fokprojecten in gevangenschap besteden onderzoekers aandacht aan het effect van de sociale omgeving op deze dieren - en de invloed die geurboodschappen kunnen hebben op remming van de voortplanting. Van nature leven dwergmuismaki's, die voornamelijk fruit en insecten eten, betrekkelijk solitair. Als nachtdieren maken ze gebruik van chemische communicatie via de urine. Door met een verfijnd gebaar hun grijphanden en -voeten daarmee te wassen, zijn ze er zeker van tijdens het rondklimmen sporen na te laten. Mannelijke jongen staan vrij snel op eigen benen en moeten al gauw een eigen leefgebied opzoeken. Muismaki-dochters, daarentegen, blijven nog geruime tijd bij de moeder en delen haar terrein en nestholte.

Bij onderzoek naar een populatie in gevangenschap heeft de Franse onderzoekster Martine Perret nu aangetoond dat er een duidelijk meetbaar effect is van een dichte bezetting op de geslachtsverdeling (Behavioral Ecology and Sociobiology, vol. 138). Vrouwtjes brengen minder zoons dan dochters voort wanneer ze op zichzelf leven en alle ruimte voor zichzelf hebben. Maar wanneer ze in dichter groepsverband gehouden worden produceren ze juist meer zonen. Alleen al het regelmatig blootstellen aan urinesporen van andere vrouwtjes zorgt voor dat effect. Daarbij stijgt het aandeel zonen van eenderde van alle nakomelingen tot meer dan tweederde.

Tegelijkertijd is onder omstandigheden met nagebootste dichte bevolking ook sprake van onderdrukking van de voortplanting: minder zwangerschappen en kleinere worpen. Die tactiek lijkt een voor de hand liggende aanpassing aan een situatie met sterke competitie om voedselbronnen - meer eigen jongen worden wellicht niet groot. En mogelijk geldt diezelfde beperking van competitie ook als een deelverklaring voor de afwijking in de sexe-verhouding, gezien het feit dat mannelijke jongen eerder verkassen.