Dame met valk

In 'Dame met Valk' (Middeleeuwse Toestanden in Wetenschap & Onderwijs, 18-7-96) bespreekt W.P. Gerritsen het twaalfde-eeuwse valkenlied van der Kürenberger. Dat hierin een vrouw aan het woord is ontleent hij aan Wapnewski. Jammer dat Wapnewski's overwegingen voor deze interpretatie niet aan bod komen.

Nu moet de lezer zelf tot deze conclusie komen doordat de valk in de afgedrukte tekst van het lied mannelijk is ('sîn' gevider, an 'sînem' fuoze), waarbij hij zich realiseert dat valkeniers over hun valk spreken als 'hij' en het woord ook grammaticaal mannelijk is. De valk komt in de middeleeuwse minnepoëzie inderdaad vaak voor als beeldspraak voor ridder of minaar, maar ook als zinnebeeld van diens al of niet trouweloze, wispelturige geliefde.

De vetgedrukte kop 'Dame met valk' onder de illustratie uit het Manesse-handschrift werkt verwarrend. Niet een dame, maar twee heren zijn afgebeeld, links Frederick van Baden, rechts Conrad, kleinzoon van keizer Frederick II.

De 'iacti', van het Latijn iacere, werpen, vroeger werpriemen genaamd, heten in het Nederlands niet riemen, maar schoenen. De beschrijving van de langveter, longa, blijkt te gaan over de vlieglijn, middeleeuws Latijn: credentia of filaria. Gerritsen stelt terecht: 'Alleen tegen de achtergrond van de valkerij kan het lied van de Kürenberger begrepen worden.'

Dit begrip wordt onmogelijk gemaakt als we met het erfgoed van de valkerij net zo bot omspringen als de ontwerpers van de Flora- en Faunawet, die valkerij en jacht onnodig willen beperken. De directe, fysieke toegang tot een rijk aspect van de middeleeuwse, hoofse cultuur zal worden afgesloten als hun ontwerp tot Wet zou worden. De Tweede Kamer kan dit verhoeden en zal dat zeker doen als ze haar verantwoordelijkheid beter begrijpt dan de minister van Landbouw.