CRI had schandaal tijdig kunnen sussen

DEN HAAG, 25 JULI. Vele politiële en justitiële gezagsdragers was het opzienbarende rapport over de drugsimporten van de Haarlemse politie dat dit voorjaar verscheen een doorn in het oog. Menigeen mopperde dat de rijksrecherche meer feiten openbaar had gemaakt dan was afgesproken en wenselijk was gelet op de veiligheid van informanten.

Maar het stak vooral dat het rapport bevindingen bevatte die niet of nauwelijks door feiten werden geschraagd. Het stuk was uiterst suggestief, vond men.

Maar andersom kan het ook. Uit nu bekend geworden informatie blijkt dat er ook bevindingen zijn weggelaten, hoewel de feiten de conclusies alleszins rechtvaardigden. De nalatige rol die de CRI in de ontstaansgeschiedenis van het drugsschandaal heeft gespeeld, blijkt door een nog onbekende censor niet rijp te zijn geacht voor de openbaarheid. En uit de eerste reacties blijkt dat een nieuwe aflevering van het IRT-feuilleton in het verschiet ligt. Het Kamerlid Hillen (CDA) vroeg vanochtend schriftelijk opheldering aan minister Sorgdrager (Justitie) over het “achterhouden van informatie”.

Het grootste schandaal dat de rijksrecherche over de Haarlemse politie boven water haalde, ging over de miljoeneninvesteringen die het recherchekoppel Langendoen & Van Vondel deed in een vruchtensapfabriek in Ecuador, geleid door de mysterieuze sapman. Het was een infrastructuur voor een transportlijn naar Nederland, waarvan nog steeds onduidelijk is wat ermee werd beoogd. De organisatoren zelf zwijgen hardnekkig over hun bedoelingen en de Haarlemse politie- en justitieleiding wist van toeten noch blazen.

Bij de CRI bestond wèl kennis over het 'saptraject'. Al in mei 1993 - ruim een half jaar voordat de IRT-affaire uitbrak - kwam een collega van de 'sapman' bij de douane terecht, die er zich over verwonderde dat de vruchtensapproducent ineens over zoveel geld beschikte. Korte tijd ervoor was sapmans bedrijf failliet gegaan. De sapman had zijn plotselinge welstand verklaard uit het feit dat hij met de politie in Haarlem werkte, en de collega wilde weleens weten wat daarvan waar was.

De douane trok de zaak na en kwam daarvoor terecht bij de CRI. Daar kwam de zaak in handen van B. Barendregt, nationaal coördinator van het werk van de CID's (criminele inlichtingendiensten) en dus de aangewezen persoon om de zaak te beoordelen. De douane kwam tot de conclusie, zo staat in het openbare rijksrecherche-rapport, dat “een en ander werd gedekt door justitie”. In een niet openbaar gemaakt, gedetailleerd concept van het rapport staat meer, namelijk dat het “enige verbazing wekt dat een registrerend orgaan als de CRI geen navraag bij de korpsleiding heeft gedaan”.

Een begrijpelijk oordeel als wordt gekeken naar de eigenlijke taak van de CRI. Dezelfde Barendregt verklaarde vorig jaar tegen de commissie-Van Traa dat het de belangrijkste functie van de CRI is ongevraagd CID-informatie aan korpsen te verstrekken. “Ik zou bijna zeggen, dat het op dit moment onze belangrijkste taak is. Als wij informatie binnen krijgen (-), verstrekken wij door. Eigenlijk is het gouden principe dat wij als CRI niet meer informatie hebben dan de regio's”, aldus Barendregt. Hem werd door Van Traa overigens geen enkele vraag gesteld over zijn kennis uit 1993 over de mysterieuze sapman. Het is de vraag welke versies Van Traa, die voor zijn rapport sterk leunde op het onderzoek van de rijksrecherche, heeft gezien van de rijksrechercherapporten.

Politieke waarnemers kunnen suggereren dat de milde behandeling van de CRI is ingegeven door het feit dat minister Sorgdrager (Justitie), die het rapport van de rijksrecherche publiceerde, zelf verantwoordelijkheid draagt voor de CRI. Deze dienst valt immers onder het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) en daarvan is de minister korpsbeheerder. Maar het staat niet vast dat het rode potlood door Sorgdrager of een van haar topambtenaren is gehanteerd. Een woordvoerder van het departement zei vanochtend dat het ministerie door vakanties oogt als “een spookhuis” waardoor er nu geen opheldering kan worden gegeven.

Uit een intern stuk van de groep die het rijksrecherche-onderzoek uitvoerde - het 'Fort-team' -, dat 18 december vorig jaar in Den Haag is besproken, blijkt dat er drie versies van het rijksrecherche-rapport bestaan. Er is een geheim deel waarin namen van informanten, infiltranten en getuigen zijn terug te vinden. Dat stuk berust slechts bij de minister, de secretaris-generaal van Justitie en de PG's. Het “hart van de rapportage”, zo staat in de notitie van 18 december, is een geheim rapport met “alle bevindingen” waarvan slechts één exemplaar bestaat, dat berust bij de PG's. Uit die geheime versie, zo werd op 18 december afgesproken, is door onderzoeksleider D. Pijl, hoofd van de rijksrecherche, het uiteindelijke openbare stuk geconcipieerd.

Momenteel doen zowel Sorgdrager als haar collega Dijkstal (Binnenlandse Zaken) hun uiterste best de personele gevolgen van de IRT-affaire af te wikkelen, zodat de bewindslieden in september de Tweede Kamer met opgeheven hoofd kunnen benaderen. Beiden richten zich op Haarlem. De hoofdofficier van justitie, L. De Beaufort, en de politiechef, R. Straver, moeten wijken. Ontslag kan niet, daarvoor biedt hun positie als ambtenaar te veel bescherming, zodat wordt aangestuurd op overplaatsing.

Basis hiervoor is het verwijt aan Straver en (in mindere mate) De Beaufort dat ze niet op de hoogte zijn geweest van de handel en wandel van het Haarlemse politieduo Langendoen & Van Vondel, beter bekend als het 'koningskoppel'. Maar nu vaststaat dat uitgerekend Sorgdragers eigen CRI nalatig is geweest bij het uitoefenen van haar taak, maakt het dat lastig om alleen in Haarlem koppen te laten rollen. Ook de Haarlemse korpsbeheerder Pop hintte daar vanochtend al op. De rijksrecherche heeft in zijn ogen “eenzijdig” toegewerkt naar een negatief oordeel over zijn korpschef en de hoofdofficier van justitie.

Het is fascinerend vast te stellen dat de justitiële schandaalgeschiedenis van de afgelopen jaren een ander verloop had kunnen hebben. Langendoen & Van Vondel waren met hun omstreden opsporingswerk het hart van het IRT-team dat eind 1993 werd ontbonden omdat de Amsterdamse politie en justitie vond dat het duo veel te ver ging. Ze gaven criminele informanten de vrije hand om in drugsbendes te kunnen infiltreren. Toen de CRI ruim een half jaar daarvoor lucht kreeg van het grensverleggende opereren van het Haarlemse koppel, was het nog mogelijk geweest de put tijdig te dempen.

Toen in maart van dit jaar de eerste berichten uitlekten over het toen nog niet gepubliceerde rijksrecherche-rapport, ontstond er een conflict tussen Sorgdrager en haar collega Dijkstal. De minister van Binnenlanse Zaken voelde weinig voor openbaarmaking. Maar Sorgdrager deed er vervolgens alles aan het stuk, het gedachtengoed van haar partij (D66) in het achterhoofd, alsnog geopenbaard te krijgen. Achteraf hebben die pleidooien niet geleid tot volledige opening van zaken. Behalve de dossiers die dienen voor de voorbereiding van een eventuele strafzaak zijn er nog meer stukken in de kast gebleven.