Benarde tuinbouw krijgt impuls uit Brussel

UTRECHT, 25 JULI. Minister Van Aartsen (Landbouw) werd bij zijn aantreden door de agrarische wereld met enige scepsis begroet, om het bescheiden uit te drukken. Zo langzamerhand echter begint die twijfel plaats te maken voor respect.

Hij kent zijn dossiers, is niet gehandicapt door oude banden met de sector zoals zo veel voorgangers, maar wat belangrijker is: hij 'scoort' in Brussel. Dat is voor sectoren als de landbouw en de visserij van levensbelang.

De 140 miljoen gulden voor de tuinbouw die hij tijdens de nachtelijke uren van de aflopende Landbouwraad gisterochtend uit het vuur sleepte is daarvan een goed voorbeeld. De 'buitengewoon verheugde' bewindsman beleefde in de vroege ochtend 'een spannende slotfase', maar keerde wel terug met een bedrag dat de kwijnende tuinbouw goed kan gebruiken. Temeer omdat de bestemming van het geld exact overeen stemt met datgene wat wat de tuinbouw zelf als overlevingstrategie heeft ontwikkeld. Marktpromotie, onderzoek naar nieuwe produkten en het stimuleren van milieu-vriendelijke teelt.

De financiële impuls uit Brussel komt op een moment dat de veilingen, waaraan de tuinbouwers zich hebben verbonden, aan het fuseren zijn. Een ongekende operatie onder een grote tijdsdruk, waartoe de internationale markt de sector dwingt. De VTN, een holding in oprichting die als één bedrijf moet herrijzen uit de dertien bestaande tuinbouwveilingen, neemt daarbij het voortouw.

De mega-fusie, die nu wordt doorgevoerd illustreert de gang van zaken in de tuinbouw, die het honderd jaar lang uitstekend heeft gedaan. Halverwege de jaren tachtig zijn de zaken echter ingestort door de zware concurrentie uit de zuidelijke landen. De ontwikkelingen in Oost-Europa, het opengaan van een enorme markt heeft die gang van zaken behoorlijk gemaskeerd, maar feit is dat er sinds 1991 lelijk de klad in zit.

De omvang van de erosie die de tuinbouw heeft getroffen wordt door de cijfers geillustreerd. In 1970 waren er 88 tuinbouwveilingen in Nederland, vorig jaar nog twintig. Van de 34.166 telers van volle grondsgroenten zijn er in de tussentijd nog 10.243 over. Ook het aantal glasgroente-bedrijven is in die periode tot een derde gereduceerd. De totale veilingomzet is de afgelopen 25 jaar afgenomen van 3,9 tot 3,6 miljard gulden. Daaruit wordt tevens duidelijk dat er een enorme schaalvergroting heeft plaats gehad en die gaat door.

Maar ook het aantal eindafnemers neemt af. Ze worden kleiner in getal, maar groter in omvang. Ongeveer 25 supermarktketens in Europa bedienen 65 procent van de markt. De marktsituatie is vooral sinds 1992 drastisch veranderd. De veilingomzetten zijn fors gedaald. Vóór de jaren negentig was er meer vraag naar groente, fruit en paddestoelen dan aanbod. Inmiddels is dat omgedraaid. De telers bepalen niet meer wat er wordt verkocht, de consument bepaalt wat er wordt gekocht.

In een eerste reactie op het resultaat dat Van Aartsen in Brussel heeft geboekt noemen de tuinbouw-voormannen ook de moordende concurrentie uit het buitenland. De kwaliteit van die produkten is niet slecht en ze worden op de markt gebracht voor een prijs waar Nederlandse telers niet tegen op kunnen. De Nederlandse positie als grootste en beste leverancier van Europa verzwakt zienderogen. De export naar Duitsland, een land dat goed is voor 53 procent van onze totale afzet, is tussen '88 en '95 van 24 naar 20 procent gedaald.

Essentieel in de ontwikkelingen is de rol van de consument. Door een steeds breder aanbod heeft hij een steeds grotere keus gekregen. Hij koopt niet meer wat de tuinder hem voorzet, hij eist consistente kwaliteit, betrouwbaarheid, variatie in vorm en smaak en heeft oog gekregen voor de wijze waarop de produkten milieu-technisch gezien zijn geproduceerd. Voor de bulk, die telers voorheen aanboden wordt alleen nog de laagste prijs betaald.

De tuinders hebben de consequenties hiervan de laatste jaren stevig gevoeld. Hun produkten brachten voor de traditionele veilingklok steeds minder op. In het Westland gaan bedrijven aan de lopende band failliet en is de werkgelegenheid van zo'n 100.000 mensen in het geding.

Onder die omstandigheden zien de verenigde tuinbouwveilingen in Nederland niettemin kansen. Kennis en techniek staan bij de Nederlandse tuinder op een hoog niveau. Daarvan zou hij gebruik moeten maken, niet om het traditionele standaardprodukt tegen een zo laag mogelijke prijs aan te bieden, maar om topprodukten te telen met een flinke toegevoegde waarde. Wat voor de afzetorganisatie vervolgens belangrijk is, is dat er een hechte relatie ontstaat met de afnemers in binnen- en buitenland. Daar ligt de taak voor de gefuseerde veilingen, die dan als een bedrijf aanspreekbaar zijn, zo betoogde de VTN dit voorjaar tijdens een 'roadshow' langs de betrokken veilingen.

De bemoeienis met het produkt kan niet 'na de klok' afgelopen zijn, zoals tot nu toe het geval is. Produkten moeten een gezicht krijgen en zich duidelijk onderscheiden van andere op de internationale markt. Dat verhaal moet Van Aartsen ook in Brussel voor ogen hebben gestaan.

Om dat Nederlandse vignet een begrip te laten worden is verdere schaalvergroting noodzakelijk. Dus moeten alle veilingen even efficient werken en voor de afnemer gelijkwaardig zijn. Samen kunnen die veilingen dan marktgericht optreden. De belangrijke supermarktketens moeten dan in de VTN een aanspreekpunt hebben.

De investeringen die daarvoor nodig zijn kunnen ook gemakkelijker worden gedragen als de veilingen één worden. De beoordeling van de plannen zal op die manier ook voor Brussel gemakkelijker worden. Die 140 miljoen gulden wordt immers niet geschonken, maar uitgekeerd op grond van degelijke voorstellen, waarbij de eis geldt dat de telers op elke gulden uit Brussel ook zelf een gulden investeren.

Tot op heden hebben grote, internationale afnemers te maken met een aantal versnipperde veilingen en moeten ze van hot naar her om een totaalpakket aan groente, fruit en champignons samen te stellen, dat ook nog verschillend is per seizoen. Die supermarktketens doen graag zaken met een grote, professionele organisatie.

De premie van Brussel geldt ook voor innovaties die voortkomen uit de sector. Een organisatie als VTN kan die in een vroeg stadium voorleggen aan de afnemer en samen met hem bekijken of zo'n produkt een kans maakt op de markt. Met hulp uit Brussel kan ook snel iets aan efficientie worden gedaan. De aanvoer van de produkten duurt op dit ogenblik te lang en de klant zou met meer efficiëntie een heel wat verser produkt in handen kunnen krijgen. De VTN schat het kostenvoordeel van het door minder handen laten gaan van een produkt op zo'n 260 miljoen gulden op jaarbasis.

    • Bram Pols