Aanstormende generaties bestaan niet

Bestaan verschillen tussen generaties ook buiten de 'borreltafel'? Volgens de onlangs gepromoveerde socioloog Van den Broek bestaan er geen samenhangende door de tijd marcherende generaties. De Verloren Generatie kan beter worden uiteengerafeld.

Charmant, maar bijzonder verradelijk. Zo typeert de socioloog Andries van den Broek het sociologisch gebruik van het begrip 'generatie'. Van den Broek promoveerde begin dit jaar aan de Katholieke Universiteit Brabant op het proefschrift 'Politics and Generations'. Hij vond weinig bewijs voor verschillen in normen en waarden tussen de generaties.

Grondlegger van het onderzoek naar generaties in Nederland is Henk Becker, hoogleraar sociologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Becker is de auctor intellectualis van een befaamd onderscheid tussen de Vooroorlogse Generatie, de Stille Generatie, de Protestgeneratie en de Verloren Generatie. Een generatie is volgens Becker een clustering van geboortecohorten die gekenmerkt wordt door een specifieke historische ligging en waardoor de individuele leden belangrijke gemeenschappelijke kenmerken bezitten, een eigen generationele cultuur en zelfs eigen organisaties.

De Vooroorlogse Generatie, geboren tussen ongeveer 1910 en 1930, groeide op tijdens de economische crisis van de jaren dertig. Zij hadden door beurskrach van 1929 een moeilijke start op de arbeidsmarkt, daarna volgden de oorlog en de sobere tijd van de wederopbouw. De Stille Generatie werd geboren tussen 1930 en 1940. Zij kende de economische crisis slechts uit verhalen en kreeg na de oorlog meer kansen door het onderwijs. Deze generatie profiteerde het meest van de naoorlogse groei. Zij groeide nog wel op met de traditionele arbeids- en seksuele moraal. Het typische lid van deze generatie accepteert gezag en vertoont een stille tevredenheid. De Protestgeneratie (1940-1955) groeide op in welvaart en vrede. Zij volvoerde een culturele revolutie van de jaren zestig en streefde naar bevrijding en democratisering.

De generatie geboren na 1955 is de Verloren Generatie, opgroeid in het no-nonsense tijdperk. 'Verloren' slaat bij hen vooral op de arbeidsmarkt, want in termen van morele vrijheid krijgt deze generatie alle kansen. Veel banen zijn echter ferm in handen van de Stille - en de Protestgeneratie, ook al is de Verloren Generatie het best opgeleid.

Becker behoort zelf tot de Stille Generatie. Geboren in 1933 kreeg hij al twee jaar voor zijn afstuderen een baan en een vaste aanstelling volgde snel. Op zijn vijfendertigste was hij hoogleraar. Zijn criticus Van den Broek is een typisch lid van de Verloren Generatie. In 1957 geboren, was Van den Broek na zijn universitaire opleiding een jaar werkloos. Vervolgens werd hij assistent in opleiding. Onlangs trad hij in dienst bij het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Periode-effect

Cruciaal in de kritiek van Van den Broek op Becker is dat het bewijsmateriaal van Becker berust op onderzoek dat de situatie op één moment als uitgangspunt neemt, zodat het veronderstelde generatieverschil net zo goed op een leeftijdsverschil of periode-effect kan berusten. Om het leeftijdsverschil duidelijk te maken noemt Van den Broek het voorbeeld van jeneverconsumptie. Als op één tijdstip bijvoorbeeld oudere mensen meer jenever drinken dan jongere mensen, zijn meerdere conclusies mogelijk. Of de generatie van vroeger is gewend jenever te drinken en jongeren hebben het nooit gedaan (generatie-effect). Op grond van deze hypothese probeert de firma Bokma met flitsende reclame jongeren te verleiden tot het drinken van jenever. Maar het zou ook kunnen zijn dat consumenten meer jenever drinken naarmate ze ouder worden (leeftijdeffect). Volgens Van den Broek kan daarom op basis van momentopnamen nooit bewezen worden dat 'generaties' bestaan. Generatie-effecten kunnen nooit los van periode-effecten of leeftijd-effecten onderzocht worden. Bijvoorbeeld, waarom gaan er nu vooral jongeren naar de bioscoop? Past dat bij de 'fun'-mentaliteit van hun generatie? Of past het gewoon bij het traditionele uitgaansgedrag van jongeren? Of is er ook sprake van een periode-effect, bijvoorbeeld dat door de introductie van de video ouderen thuis naar films kunnen kijken?

Om de Generatiethese van Beckers te toetsen heeft Van den Broek in zijn proefschrift op vier momenten (1975, 1980, 1985 en 1990) de invloed van leeftijd en periode op de politieke waarden van de vier generaties onderzocht. Vijf onderwerpen stonden centraal: 'verzuiling', 'post-materialisme', 'politieke interesse', 'politieke participatie' en 'politiek protest'. Bij aanvang van het onderzoek verwachtte Van den Broek nog dat hij significante verschillen zou vinden tussen de generaties. Hoogstens blijkt de protestgeneratie meer politieke interesse te tonen en vaker post-materialistische waarden aan te hangen dan de Stille Generatie. De Vooroorlogse Generatie verschilt slechts in geringe mate van de Stille Generatie. Te weinig bewijzen dus voor het bestaan van politieke generatiekloven, oordeelt Van den Broek.

Grote verschillen tussen leeftijdsgroepen vond Van den Broek ook al niet. Alleen de politieke interesse blijkt toe te nemen naarmate men ouder wordt. Ook periode-effecten spelen een bescheiden rol. Zo blijkt tussen 1966 en 1970 de steun voor verzuiling te zijn afgenomen binnen alle generaties. In de jaren tachtig is de politieke belangstelling bij iedereen gemiddeld toegenomen.

Ook bij opvattingen over 'gezinswaarden', 'abortus', 'emancipatie', 'arbeidsethos', 'geloof' en 'autoritair gedrag' constateerde Van den Broek slechts zeer weinig verschillen tussen de verschillende generaties. Er is eerder sprake van een geleidelijke toename of afname van steun voor bepaalde standpunten en dus niet schoksgewijs langs de scheidslijnen van Beckers generaties.

Natuurlijk veranderen de politieke opvattingen in de loop van de tijd, maar verschillen tussen de vier generaties van Becker spelen daarbij geen rol, zo oordeelden ook Van den Broeks promotor P. Ester (IVA-Instituut voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek) en de socioloog P. Dekker (Sociaal en Cultureel Planbureau), vorig jaar in het tijdschrift Acta Politica.

Becker was lid van de promotiecommissie die het proefschrift van Van den Broek beoordeelde, en tijdens de openbare verdediging van diens proefschrift had hij zichtbaar moeite met het formuleren van een vraag voor Van den Broek. De hoogleraar vindt dat de promovendus zijn theorie onzorgvuldig heeft gedefinieerd en verkeerd heeft geïnterpreteerd. Van de Broek en de andere critici zouden de aanpassingen die hij sinds 1985 heeft geformuleerd niet serieus hebben genomen. Zo heeft ook Becker het belang van periode-effecten erkend en daarmee zijn generatiepatroon genuanceerd. Bovendien beoordeelt Becker de toetsing van zijn theorie als bijzonder selectief. Waarom zijn bepaalde politieke strijdpunten wel getest, en andere niet, zo bekritiseert hij Van den Broek en consorten. En waarom alleen waarde-oriëntaties en geen gedragspatronen, organisaties en cultuur? Zijn typologie van de generaties is niet zozeer een beschrijving van de werkelijkheid maar een heuristiek instrument, een globale samenvatting van de uitkomsten van onderzoek en een hulpmiddel bij communicatie. En dus niet een theorie die op deelaspecten streng getoetst moet worden.

Rookgordijn

Maar voor empirische sociologen als Van den Broek, Dekker en Ester is een theorie die je niet streng op zijn deelaspecten mag toetsen, geen zinvolle theorie. Van den Broek noemt zo'n theorie een 'rookgordijn', Dekker en Ester spreken van 'ongeoorloofde afschermingsconstructies'. De laatsten beweren dat Becker zijn theorie altijd wel rond zal kunnen krijgen, zolang hij voorbijgaat aan meetproblemen. Jammer, zo merken zij op, want in de sociale wetenschappen zijn theorieën die zich blootstellen aan toetsing al zo zeldzaam en is Beckers theorie juist een positieve uitzondering.

Vruchtbaarder dan het onderscheid in generaties is volgens Dekker en Ester het onderscheiden van groepen op basis van gemeenschappelijke subculturen en cruciale sociale ervaringen. Leden van de Protestgeneratie worden dan wellicht beschreven als Vietnam-demonstranten, maar ook ordehandhavers en plichtsgetrouwe huisvaders en huismoeders. De Verloren Generatie kan uiteengerafeld worden in internet-freaks, leden van etnische subculturen en carrièrejagers.

    • Ellie Smolenaars