Vrijblijvend verliefd op Oud Delhi

Onze correspondenten berichten met nieuwsgierige verwondering en per definitie met enige afstandelijkheid over hun land of gebied. Deze zomer leggen ze hun journalistieke distantie af en onthullen ze hun favoriete toevluchtsoord.

Het stinkt er aan alle kanten akelig, je trommelvliezen knappen hier en daar bijkans van het lawaai en op elke straathoek grijnst het verval je onbarmhartig tegemoet. Toch behoudt het eeuwenoude historische hart van de Indiase hoofdstad een onweerstaanbare bekoring.

Steeds als ik er enkele weken niet ben geweest, voel ik aandrang even onder te dompelen in die vreemde wereld, ver weg van de zaktelefoons, neonreclames, brede autowegen en eenvormige betonnen flatgebouwen die overheersen in de nieuwe wijken. Nieuw Delhi mag gerieflijker zijn en de toekomst hebben, het kan niet op tegen de bedwelmende charme van Oud Delhi met zijn opeengepakte mensenmassa's en zijn tot in de kleinste steegjes vertakte bazaars.

Zou ik er ook willen wonen? Voor geen goud. Mijn waardering voor Oud Delhi is, ik geef het grif toe, geheel vrijblijvend. Tekenend is dat zelfs de lokale bewoners de oude stad ontvluchten zodra ze daarvoor het geld hebben. De benauwde woningen, waar tien of meer mensen een verdieping delen, de open riolen, de armoede, de meesten laten dit alles liever achter zich.

Maar onder de steeds dikker wordende vuilkorst die Oud Delhi bedekt, gaat nog steeds veel schoons schuil. In een steeg valt je blik plotseling op een ragfijn bewerkte stenen gevel van een vervallen haveli, een oud herenhuis van een rijke moslim-familie, wier nakomelingen waarschijnlijk al lang en breed in Pakistan wonen. Of je ziet lopend door een straatje wierook kringelen uit een fris betegeld halletje, waar op de achtergrond nog net een beeld van de populaire hindoe-olifantsgod Ganesh valt waar te nemen. Even verderop zijn bezwete mannen in de weer met een ratelende voorhistorische drukpers.

Maar het boeiendst in het overvolle Oud Delhi zijn de bewoners zelf. Niet alleen zijn ze met hun bonte verscheidenheid aan baarden, snorren, tulbanden, petjes, sluiers, sari's, shalwar kamizes (pyjama-achtige gewaden), oorbellen en hangsnoeren een lust voor het oog, ondanks hun verstikkende woonomstandigheden zijn ze bovendien een toonbeeld van gastvrijheid.

Vooral buiten de toeristische zones rond de altijd tjokvolle Chandni Chowk-bazaar en de Jama Mashid, de imposante moskee van de zeventiende eeuwse Moghuls, knopen veel mensen graag een praatje met je aan. En als ze merken dat je enkele woorden Hindi spreekt, glimmen ze van plezier en laten je in geen geval vertrekken zonder je eerst een kop thee te hebben aangeboden.

Mijn favoriete deel van de oude stad ligt rond de Turkman-poort, vernoemd naar een middeleeuwse sufi, een islamitische heilige, die hier vroeger actief was. Vlak buiten de poort staan tientallen magere paarden op een groene heuvel te grazen na gedane arbeid. Het zijn de laatste resten van een tijdperk dat, althans in Delhi, snel ten einde loopt: dat van de tonga's, de ranke paardekoetsjes die nog niet zo heel lang geleden het straatbeeld in grote delen van India en Pakistan domineerden. Tussen de poort en de heuvel razen nu over een drukke weg de ingeblikte paardenkrachten in drommen voorbij.

Op een steenworp van de poort ligt een verbazend grote christelijke kerk. Het is de trots van een 200 mensen omvattend christelijk gemeenschapje, een souvenir uit de Britse tijd, toen missionarissen van de anglicaanse kerk veel hindoes uit de lagere kasten tot hun geloof bekeerden. Proper en sober leven ze op hun christelijk eilandje. Hebben ze geen last met andere godsdiensten, die op meer aanhang kunnen rekenen in dit deel van de wereld? “Nee nooit”, verzekert Rosi, een vriendelijk meisje in een paarse shalwar kamiz, er meteen aan toevoegend: “Bovendien is er hier vlak om de hoek een politiepost.”

Lopend door een stil zijstraatje, diep in de oude stad, sta je plotseling oog in oog met een steile trap die leidt naar de Kalan Mashid, een meer dan 600 jaar oude moskee. De moskee ziet er tamelijk verzorgd uit, maar lokale moslims klagen steen en been dat de gemeente weigert het oeroude monument eens fatsoenlijk te restaureren. “Omdat dit een hindoe-land is, willen ze niets doen voor een moskee als de onze”, moppert dokter Noroz Khan Rais, die een kliniekje drijft aan de voet van de moskee. Niet dat hij verder iets heeft tegen de lokale hindoes, die achter de moskee wonen, maar dit wilde hij toch even kwijt.

In een straatje achter de moskee begint het rijk van de tegenpartij. Hier lopen de vrouwen in sari's en velen dragen een tikal, de hindoe-stip, op hun voorhoofd. Op een houten vlonder zit een groepje mannen, behorend tot de kaste van bouwvakkers, zich met waaiers koelte toe te wuiven in de vochtige hitte van de moesson. Veel liefde voor de moslims aan gene zijde van de moskee koesteren ze niet. “We tolereren elkaar, maar daar is ook alles mee gezegd”, zegt een van hen. Een ander spreekt van een “koude oorlog”.

Al vele honderden jaren leven zo de aanhangers van de verschillende godsdiensten (de sikhs en de jains zijn nog niet eens genoemd) dicht opeen maar toch gescheiden van elkaar in Oud Delhi. Meestal heerst er vrede, soms feest men samen en af en toe vliegt men elkaar in de haren, maar juist die veelheid aan godsdiensten en de daarbij behorende verschillende culturen maken de oude stad zo opwindend. Hier tref je op enkele vierkante kilometers India in een notendop aan, in al zijn smerigheid én al zijn schoonheid.