Verbranding van Nederlands afval wordt te duur betaald

In Nederland zou de capaciteit van de afvalverbrandingsinstallaties het aanbod van afval overtreffen. Geen sprake van, betoogt Elbert Dijkgraaf. Waarschijnlijker is dat zelfs afval moet worden uitgevoerd, wat overigens de tarieven zou kunnen drukken.

In allerlei presentaties, stukken en krantenartikelen wordt gesteld dat de totale verwerkingscapaciteit van Nederlandse afvalverbrandingsinstallaties (AVI's) groter is dan het afvalaanbod. Zo stelde Ben van der Velden (in NRC HANDELSBLAD van 11 juli) dat de Nederlandse AVI-capaciteit in 1997 4,5 miljoen ton zal bedragen, terwijl het aanbod van afval slechts 3 miljoen ton zal zijn, een tekort van 1,5 miljoen ton. Dit zou grote repercussies hebben voor gemeenten en provincies die hun investeringen niet terug kunnen verdienen.

De kapitaallasten van een gemiddelde AVI bedragen 132 gulden per ton afval. Een tekort van 1,5 miljoen ton leidt dus tot een financieel tekort van 198 miljoen gulden. Bij een gelijke spreiding over Nederland zou de gemeentelijke heffingen gemiddeld met meer dan een tientje per persoon omhoog moeten.

Gelukkig is dit niet waar. Het aanbod van brandbaar afval is niet 3 miljoen ton, maar 6,2 miljoen ton (volgens beleidsscenario Tienjarenprogramma Afval 1995-2005, Afval Overleg Orgaan). Er is dus ruim voldoende afval om de AVI's continu op volledige capaciteit te laten draaien.

Ook voor de komende jaren is er geen probleem. De verwerkingscapaciteit zal eind 1997 nog groter zijn door het in gebruik nemen van AVI's in Weurt en Moerdijk. De totale capaciteit zal dan 5,3 miljoen ton bedragen. Dit niveau blijft gehandhaafd tot 2005, waarna afschrijvingen zorgen voor een snelle afname van de verwerkingscapaciteit. Het afvalaanbod zal volgens het beleidsscenario vanaf 2000 rond de 5 miljoen ton liggen. Dus toch, zij het op wat langere termijn, overcapaciteit?

Het Afval Overleg Orgaan (AOO) heeft al aangegeven dat de cijfers niet kloppen. Om het aanbod van brandbaar afval te bepalen wordt het totale aanbod vermenigvuldigd met een factor die aangeeft welk deel van het afval brandbaar is. Nu blijkt dat de aanname waarop het beleidsscenario is gebaseerd, uitgaat van een te lage verbrandingsfactor.

Bovendien zijn de cijfers exclusief industrieel proces- en reinigingsdienstenafval. In 2005 gaat het om 0,4 miljoen ton. De reden dat het AOO deze hoeveelheden niet heeft meegenomen, is gelegen in het feit dat het gaat om afval dat momenteel niet onder het Besluit Stortverbod Afvalstoffen valt. Het daadwerkelijk verbranden van die afvalstoffen wordt dan, volgens de afvalkenners, bijna onmogelijk. Storten is namelijk nog steeds een stuk goedkoper dan verbranden. Afvalproducenten zouden wel gek zijn om afval te verbranden tegen een hoog tarief, terwijl ze het goedkoop mogen en kunnen storten. De oplossing is simpel: neem deze stoffen op in het Besluit Stortverbod Afvalstoffen. Dit is precies wat er op 1 januari volgend jaar gaat gebeuren.

Een derde reden dat het afvalaanbod hoger kan uitkomen dan is becijferd, is dat in het beleidsscenario is uitgegaan van realisatie van de taakstellingen voor preventie en hergebruik. Deze taakstellingen worden niet gehaald in het tegenwindscenario, waardoor meer aanbod voor eindverwerking resteert. Zonder rekening te houden met de te lage verbrandingsfactor en het brandbare industriële proces- en reinigingsdienstenafval gaat het dan om 6,8 miljoen ton in 2005.

Tenslotte is de Vereniging van Afvalverwerkers, de branche-organisatie van AVI's en stortplaatsen, helemaal niet bang voor open internationale grenzen. Zij hoopt zelfs dat afvalstromen de grens over mogen. De reden hiervoor is gelegen in Duitsland. Onze oosterburen hanteren verbrandingstarieven die tot een fractie drie hoger liggen dan in Nederland. De verbrandingscapaciteit is kleiner dan het aanbod van brandbaar afval.

Uitbreiding van deze capaciteit stuit op grote problemen doordat burgers het nimby-syndroom (not in my backyard) vertonen. Overheden van Duitse deelstaten voeren al gesprekken met Nederlandse vertegenwoordigers over verwerking van Duits afval in onze installaties. Export naar andere landen wordt niet toegestaan, omdat men vindt dat de verbranding aan minimale eisen moet voldoen.

Al met al is er weinig reden te vrezen dat er overcapaciteit zal ontstaan. De export van afval naar het buitenland heeft zelfs positieve kanten. In de eerste plaats natuurlijk voor de afvalproducent die goedkoop van zijn afval afkomt. Belangrijker is echter het uitgangspunt, opgenomen in de Wet Milieubeheer, dat afval beter verbrand kan worden dan gestort.

De afweging die hier achter zit, is gemaakt op grond van milieu-effecten van storten en verbranden. Storten wordt geacht dermate grote milieu-effecten te hebben (bijvoorbeeld groot beslag op schaarse ruimte, emissie van methaan, vervuiling bodem en grondwater), dat verbranden de voorkeur verdient.

Het punt is dat dit al zo was in 1979 toen Nederlandse AVI's niet beter presteerden dan de huidige installaties elders in Europa. Als we dus te weinig capaciteit hebben op vaderlandse bodem is er wat voor te zeggen om afval liever te laten verbranden in buitenlandse ovens, dan te storten in Nederlandse grond. In het verlengde hiervan is het logisch dat alleen Duits afval geïmporteerd wordt als volledige bezetting in gevaar komt.

Last but not least betekent de (dreigende) export van een deel van het brandbare afval, dat er meer marktwerking ontstaat, zodat de managers van Nederlandse AVI's meer moeite zullen moeten doen om financieel rond te komen. Uit studies in de Verenigde Staten blijkt dat AVI's in een meer concurrerende omgeving een tarief hanteren dat gemiddeld zo'n 30 procent lager ligt dan dat van collega's die in monopoliede rust verkeren.

Een eigen onderzoek naar de doelmatigheid van verbrandingsinstallaties wijst uit dat AVI's 228 miljoen gulden per jaar teveel rekenen voor de afvalverwerking, 24 procent van de AVI-omzet. Verklarende factoren zijn daarbij de afstand tot de dichtstbijzijnde concurrent, het percentage van de verwerkingscapaciteit dat door middel van contracten is vastgelegd (samen goed voor een efficiëntie-verlies van 82 miljoen gulden) en de niet optimale schaalgrootte (verantwoordelijk voor een verlies van 146 miljoen gulden).

Dus in plaats dat gemeenten en provincies bang moeten zijn voor hun financiële posities, kan het wel eens zó zijn, dat burgers en bedrijven hun afvalstoffenheffing eindelijk eens zien dalen.

    • Elbert Dijkgraaf