Overzichtstentoonstelling in Frankfurt over filmarchitectuur had reusachtig kunnen zijn Ouderwetse gebouwen overheersen in de decors

Tentoonstelling: Film-Architektur. Set Designs von Metroplis bis Blade Runner. T/m 8 sept. Filmmuseum en Deutsches Architektur Museum, Frankfurt. Geopend di-zo 10-17u. Prijs Catalogus (Prestel, 207 blz.) ƒ 125,-

Filmarchitectuur is een onuitputtelijk onderwerp. Zijn er, behalve documentaires over dieren, eigenlijk wel films waarin architectuur geen rol speelt? Waarschijnlijk niet. Altijd, zelfs voor b-films, worden locaties en interieurs met zorg uitgekozen. Op zijn minst wil de regisseur dat ze passen in het verhaal dat hij wil vertellen, maar vaak gaan zijn ambities verder en laat hij gebouwen en interieurs de sfeer bepalen. Warm, vervreemdend, zacht, bars, huiselijk, kil, idyllisch - architectuur kan elke stemming oproepen.

De tentoonstelling Film-Architektur. Set Designs Von Metropolis bis Blade Runner in Frankfurt had dan ook reusachtig kunnen zijn. Het feit dat de expositie in twee naast elkaar liggende gebouwen aan de Main, het Filmmuseum en het Duitse Architectuurmuseum, wordt gehouden, leek ook in die richting te wijzen. Toch heeft Film-Architektur geen monsterachtige omvang gekregen: het bekijken van de ontwerptekeningen, maquettes, videofragmenten en vooral filmstills vergt niet meer dan een paar uur. In een donkere zaal van het Filmmuseum wordt de architectuur in vooroorlogse, voornamelijk Duitse films belicht; wie vervolgens een klein tussendeurtje naar het Architectuurmuseum doorgaat, komt terecht in een lichte, witte zaal van het architectuurmuseum waar de naoorlogse films aan bod komen.

Een van de redenen waarom Film-Architektur niet het schitterende laatste woord inzake bouwkunst als filmdecor is geworden, is dat de samenstellers het begrip filmarchitectuur heel strikt hebben opgevat. Alleen bouwkunst die speciaal voor bepaalde films is ontworpen, is volgens hun definitie filmarchitectuur. Niet te zien zijn dus films als Manhattan, Woody Allens ode aan New York, of, meer recent, Richard III, waarin Shakespeare's drama wordt verteld tegen de achtergrond van negentiende-eeuwse Engelse neogotiek. Maar ook One From The Heart, de film waarvoor Francis Ford Coppola in zijn Zoetrope-studio delen van Las Vegas op ware schaal liet nabouwen, ontbreekt, want het tweede, aanvullende criterium voor de tentoonstelling is dat het moet gaan om nieuwe, originele architectuur en niet om de nagebouwde bestaande gebouwen.

Maar ook volgens deze strenge criteria had Film-Architektur groter en vooral boeiender kunnen zijn dan de lukrake, chronologische presentatie van een aantal bekende en minder bekende films die de tentoonstelling nu is. Lukraak, want Filmarchitektur is zo'n expositie waarvan het getoonde in belangrijke mate afwijkt van wat in de catalogus staat. In de Engelstalige boek Filmarchitecture, dat hoort bij de tentoonstelling zoals die eerder was te zien in de Verenigde Staten, staan allerlei films die in Frankfurt helemaal niet voorkomen. Jammer is bijvoorbeeld dat L'Inhumaine uit 1924 ontbreekt, de Franse film waarvoor huizen en interieurs werden ontworpen door onder meer Robert Mallet Stevens, de bekende Franse architect wiens werk zich bevindt op de grens tussen het Nieuwe Bouwen en de Art Déco. Nog erger is dat in Frankfurt niets is te zien van de mij onbekende Amerikaanse b-film The Black Cat uit 1934. Hierin dient, zo valt uit de catalogus op te maken, een reusachtig gebouw in de stijl van het Nieuwe Bouwen als onderkomen voor de architect Hjalmar Poelzig. Maar anders dan de Nieuwe Bouwers in de echte wereld dachten was het kale witte gebouw in de film niet het begin van een betere wereld. Integendeel, de acteurs geven zich in het op een rots gelegen architectenhuis in één nacht over aan moord, incest, Satansmissen en martelingen, voorwaar een combinatie die nieuwsgierig maakt.

Het gemis van L'Inhumaine en The Black Cat is des te pijnlijker omdat ze behoren tot de weinige films waarvan de architectuur werkelijk avantgardistisch was. Wat opvalt in Frankfurt is dat de meeste filmarchitectuur al bij het uitkomen van de films zo ouderwets aandoet. Dit geldt bijvoorbeeld voor de Duitse expressionistische films waarmee de tentoonstelling begint. Voor de eerste en beroemste daarvan, Das Cabinet des Dr. Caligari van Robert Wiene uit 1920, ontwierp Walter Reimann decors die weliswaar aansloten op het toenmalige werk van moderne, expressionistische architecten als Hermann Finsterlin en Bruno Taut, maar de hoekige, spitse vormen en vreemde perspectivische vertekeningen roepen toch vooral de sfeer op van de gotiek. Ook Hans Poelzig, de bekende Duitse architect naar wie de lugubere Hjalmar Poelzig in The Black Cat was gemodelleerd, slaagde er in Der Golem, wie er in die Welt kam (1920) niet in werkelijk moderne filmarchitectuur te ontwerpen: zijn joodse getto vol krakkemikkige huizen doet toch vooral denken aan de middeleeuwen. Zelfs Metropolis is niet de apotheose van de verbeelding van moderne architectuur waarvoor de film ook op deze tentoonstelling weer wordt gehouden: de decors van Fritz Langs film uit 1927 bestaan niet uit de toenmalige allermodernste architectuur zoals die van bijvoorbeeld Le Corbusier, maar zijn fantastierijke varianten op Newyorkse wolkenkrabbers van dertig jaar eerder.

Moderne architectuur en film staan op gespannen voet met elkaar, zoveel wordt wel duidelijk op de tentoonstelling. Het tweede deel van Film-Architektur begint met de enige film op de tentoonstelling die zou kunnen worden opgevat als een pleidooi voor compromisloze modernistische architectuur: The Fountainhead. In deze film uit 1949 van King Vidor naar het boek van Ayn Rand speelt Gary Cooper de architect Howard Roark, die liever zijn eigen creatie opblaast dan deze te laten veranderen. De toren, die Roark in de film ontwerpt en die in maquettevorm in Frankfurt aanwezig is, is nog steeds verbluffend: een gladde, glazen doos op poten, meer niet, en dat vijf jaar voor Ludwig Mies van der Rohe zijn baanbrekende Seagram-building van glas en staal in New York ontwierp.

Toch werkte de ode van The Fountainhead aan het recht van de architect op zijn onaantastbare werk precies averechts. “Mensen worden door The Fountainhead bang om naar een moderne architect te gaan. Ze zullen het liever bij Chippendale houden”, schreef de bekende Amerikaanse architect Victor Gruen vlak na verschijning van de film. Jacques Tati wilde met Mon Oncle (1958) en Playtime (1967) hetzelfde effect bereiken. Mon Oncle laat de strijd zien van hoofdfiguur Monsieur Hulot met het witgepleisterde, rechthoekige huis van zijn broer, dat er overigens eerder voor- dan naoorlogs modern uitziet. Hulot, zelf bewoner van een rommelige zolderkamer in een oud vervallen huis, kan niet overweg met het moderne meubilair, de automatisch openklappende kast- en garagedeuren en de elektrische apparaten. Ook Playtime is een lachwekkende aanklacht tegen de terreur van de moderne architectuur. Voor deze film liet Tati een hele wijk van glazen kantoorgebouwen bouwen, waar het verkeer voortdurend vastzit, iedereen de weg kwijtraakt, en niemand de ingangen kan vinden in de glazen façades.

Van de laatste drie Amerikaanse films die op Film-Architektur zijn te zien is de architectuur van Dick Tracy het minst spectaculair. Weliswaar zorgen de glimmende, lege straten die worden beschenen door groen, blauw, geel, rood en paars licht voor een unheimliche sfeer, maar de gebouwen, waarin en waartussen detective Tracy zijn werk doet, kunnen in elke grote Amerikaanse stad worden gevonden. Veel ingenieuzer is de architectuur van Batman deel I. Voor Gotham City hebben de ontwerpers rijkelijk geput uit het werk van beroemde negentiende- en twintigste-eeuwse architecten. Tussen de aan Metropolis herinnerende gebouwen duiken voortdurend letterlijke citaten op van Otto Wagner, Antoní Gaudi, Konstantin Melnikov, Otto Wagner en Norman Foster. Zo is het stoomlocomotiefvormige Flugelheim-museum in Gotham niets anders dan de tandartsenkliniek die Shin Takamatsu in Tokio bouwde.

Maar het interessantst van de laatste architectuurfilms is toch Blade Runner, Ridley Scotts toekomstvisioen van Los Angeles dat in 1982 flopte maar nu een gedegen cultstatus heeft bereikt. De rijken zijn in 2015 vertrokken uit het centrum van Los Angeles, maar het zijn niet zozeer hun onderkomens die intrigeren. Veel boeiender is het oude Los Angeles, het domein van boeven en gespuis die zich in een voortdurende stroom van zure regen bewegen tussen rommelige gebouwen. Niet nieuw en uitgestrekt is het toekomstige Los Angeles van de niet-rijken, maar benauwd, druk, oud en toch aangepast aan de eisen van de nieuwe tijd. Er zijn moderne architecten die geloven dat computers en alles wat daarmee heeft te maken de architectuur fundamenteel zullen veranderen. Maar misschien laat de 'retrofitting', zoals de architectuur van Blade Runner al is gedoopt, wel de echte toekomst van de stad in het computertijdperk zien: vervallen gebouwen, overwoekerd met leidingen, neonbuizen, pijpen en beeldschermen.

    • Bernard Hulsman