Liefde

Aanleiding was het feuilleton 'De dansen van Ina Raffey' geweest. Het stond iedere avond in de Voorwaarts, waarop mijn vader zich had geabonneerd sinds hij steeds meer voor 'rooie' verenigingen, zoals mijn moeder het met enige gêne placht uit te drukken, begon op te treden.

Aangezien ik 'De avonturen van Bulletje en Boonestaak' in hetzelfde blad nooit oversloeg, had ik de roman, waarvan de titel sterk tot mijn verbeelding sprak, toevallig onder ogen gekregen en het streven van de hoofdpersoon, een beroemde danseres te worden, onmiddellijk herkend. Gedurende de periode dat het verhaal in de krant verscheen zat ik na schooltijd boven aan de trap te wachten tot de Voorwaarts door de brievenbus viel, waarna ik ermee naar mijn kamer op zolder rende om me ongehinderd in de fascinerende lectuur te verdiepen.

De naam van de auteur, Vicki Baum - ik dacht dat het een man was - zei me niets, maar het mooie jonge meisje Ina Raffey daarentegen, dat op het nachtelijk gazon van haar grootmoeders landgoed ergens in Polen of Oostenrijk naakt onder een sluier voor haar aanbidder had gedanst, was een openbaring en sterkte mij des te meer in mijn lang gekoesterde wens een eigen dansgroep op te richten. Omdat alleen mijn drie vriendinnen uit de zesde klas van de lagere school in aanmerking kwamen en ze er aanvankelijk nogal sceptisch tegenover stonden, had ik al mijn overredingskracht te hulp moeten roepen om hen van de aantrekkelijkheid van mijn plan te overtuigen. Dit gelukte onder meer door hun mijn zelfverzonnen ballet 'De vier jaargetijden' in het vooruitzicht te stellen, met een levendige beschrijving van de kostuums en de succesvolle opvoeringen ervan, die ter gelegenheid van verjaardagen en andere feestelijke gebeurtenissen in familie- of vriendenkring zouden plaatshebben. Omdat ik het allemaal had bedacht, mocht ik Lente zijn; Lilly, die er leuk uitzag, wees ik als Zomer aan, en de vertolkingen van Herfst en Winter kwamen bij Greetje en Adriane terecht - rollen die hun trouwens op het lijf waren geschreven, vanwege de spichtigheid van de een en de intense bleekheid van de ander, die zwakke nieren had en veel moest drinken. Aangespoord door de naderende verjaardag van Lilly's moeder, werd er woensdags- en zaterdagsmiddags ijverig op de zolderkamer geoefend, terwijl de uitvoering van de door mij ontworpen en getekende kostuums - wit voor de lente, geel voor de zomer, grijs met spinnewebben van zilverdraad voor de herfst, en zwart met plukjes watten als sneeuwvlokken voor de winter - bij onze moeders zou berusten.

Toen de kostuums werden afgeleverd - Lilly had een beeldige tutu van wijd uitstaand gaas als een echte ballerina - bleken die van Greetje en Adriane fantasieloze soepjurken zonder spinnewebben en sneeuwvlokken te zijn geworden, waarvan we decimeters stof afknipten om er vervolgens met onbeholpen rijgsteken nog enig model aan te geven. Ook mijn lentekleed van glinsterend tarlatan, dat als een wolk doorschijnend zeeschuim op de toonbank van de winkel had gelegen, was een mislukking (mijn moeder kon niet naaien, waardoor ik aan de saaie smaak van een tante was overgeleverd) en werd zowel tot ver boven de knie korter gemaakt als met onzichtbaar vastgestoken veiligheidsspelden ingenomen.

Deze tegenslagen weerhielden mij er echter niet van de verdere repetities geestdriftig bij Lilly voort te zetten, die op een bel-etage in de Heer Kerstantstraat woonde, waar we de beschikking hadden over een grammofoon en we ons vertrouwd konden maken met de ons toegestane ruimte tussen de schuifdeuren die de salon van het echtelijk slaapvertrek scheidden, en ik uit de beperkte platenvoorraad van Lilly's vader twee Engelse walsen als muzikale begeleiding koos.

Ten slotte restten ons nog drie dagen voor de avond van de première. Met de wolk zeeschuim in een papieren zak toog ik naar de bel-etage, waar de generale repetitie zou worden gehouden en ik van aangezicht tot aangezicht met Lilly's broer zou komen te staan. Toen ik de stoep op wilde hollen, werd ik namelijk in het portiek een jongen gewaar die met zijn rug naar mij toe bezig was de deur te openen. Hij had een schooltas onder zijn arm en wierp voor hij naar binnen ging een blik over zijn schouder, waarna hij met de sleutel in zijn hand en met enigszins opgetrokken wenkbrauwen op mij neer bleef kijken. Misschien waren het een paar seconden, maar omdat hij niets zei en zich niet bewoog was het alsof ik minutenlang in de mooiste ogen - groen met zwarte wimperrandjes - van de wereld keek. Die middag klonken de Engelse walsen anders, een beetje weemoedig en opwindend tegelijk, en de volgende dagen zag ik steeds de groene ogen voor me en ging er plotseling een onweerstaanbare aantrekkingskracht van de Heer Kerstantstraat uit.

De ochtend van de première besloten Greetje en Adriane niet mee te doen en moffelde Lilly mij een briefje in handen waarin Tonie, zo heette haar broer, mij vroeg met hem te lopen.

Ondanks de hevige teleurstelling niet in glinsterend tarlatan voor Tonie te kunnen dansen, al was het dan tussen de schuifdeuren en niet op een romantisch grasveld zoals Ina Raffey voor haar minnaar had gedaan, hielp de gedachte dat een jongen met fluwelen ogen die al vijftien was en in de derde klas van de HBS zat verliefd op me was, mij er wonderlijk snel overheen. En wat zijn verzoek betrof: we hebben gelopen, uren en uren lang, vrijwel zwijgend, met ineengehaakte pinken, door alle trieste achterafstraten van het oude Noorden - de Tochtstraat, de Fabrieksstraat, de Ooievaarstraat, de buurt van het Zwaanshals - waar we zogoed als zeker noch mijn moeder noch een van mijn onderwijzeressen konden tegenkomen.

Het duurde tot het eind van het schooljaar; toen was het over en hadden de Heer Kerstantstraat en de groene ogen hun betovering verloren. Via Lilly liet ik Tonie schriftelijk weten dat ik van verdere omgang afzag. Ik beantwoordde zijn smekende briefjes niet en ontweek hem of deed laf alsof ik hem niet zag wanneer hij me met zijn fiets in de buurt van school of mijn huis opwachtte en stapvoets achter me aan bleef rijden. De vriendschap met Lilly, die het voor haar broer opnam, was ten einde en Tonie heb ik nooit meer gezien.

Enige tijd geleden hebben Lilly en ik elkaar toevallig weer ontmoet. Na de eerste verrassing van het weerzien vroeg ik onmiddellijk hoe het met Tonie ging. “Die is allang dood”, zei ze gelaten. “Ik heb nooit veel contact met hem gehad.”