Kleiduivenschutter geen balletje meer

Kleiduivenschutter Eric Swinkels (47) doet voor de zesde keer mee aan de Olympische Spelen. “Mijn reactievermogen is achteruitgegaan, maar dat compenseer ik op andere manieren.”

ATLANTA, 24 JULI. Eric Swinkels heeft Best tijdelijk voor Atlanta verruild, maar wie dezer dagen de etalage van zijn wapenhandel in de Nieuwstraat bekijkt, voelt zich toch in de nabijheid van de legendarische kleiduivenschutter. Toen hij zich onlangs in het buitenland kwalificeerde voor zijn zesde Olympische Spelen, bracht zijn moeder als zijn grootste fan meer dan 25 jaar olympische souvenirs samen. Posters, petjes, mascottes en speldjes van de Spelen in München (1972), Montreal (1976), Los Angeles (1984), Seoul (1988), Barcelona (1992) en Atlanta (1996). En uiteraard die ene medaille, het eerste olympische zilver dat een Nederlander bij elkaar schoot.

Eric Swinkels is de eerste Nederlander die deelneemt aan zes officiële Olympische Spelen. Ook de schermer A.E.W. de Jong deed zes keer mee, maar hij maakte zijn debuut in 1906, op de zogenaamde tussenspelen in Athene. Als 23-jarige maakte Swinkels zijn olympisch debuut in München. “In '72 was ik een zorgeloze jongen van wie de ouders alle problemen op zich namen, een jongen die onbekommerd overal naar toe kon. Ik stond met andere benen in het leven. Dat is veranderd.” Hij drijft in Brabant een grote wapenhandel, een begrip voor jagers uit de wijde omgeving.

Schieten zit Swinkels in het bloed. Zijn vader, die tweeëneenhalf jaar geleden overleed, was een groot jager. Jan Swinkels had de liefde voor de jacht weer van zijn vader meegekregen. “En de vader van m'n moeder jaagde ook.”In 1932 begon Swinkels senior de wapenhandel in Best. De zaak die hij van zijn vader heeft overgenomen en die mede dankzij zijn naamsbekendheid floreert, is niet zijn enige zorg. Swinkels pendelt onophoudelijk tussen Best en het dertig kilometer verderop gelegen Boekel, waar hij een schietschool bezit. “Wat vroeger een avondje bowlen en een Chineesje pikken was, is nu kleiduivenschieten gevolgd door een Brabantse koffietafel.” Van een rustige voorbereiding op Atlanta was geen sprake. Tot zijn vertrek uit Nederland, op zondag 14 juli, verdeelde Swinkels zijn aandacht tussen schietbaan en wapenhandel. Begin deze maand schoot hij zijn laatste wedstrijd, op de Europese kampioenschappen in Estland. Daar voldeed hij ruimschoots aan de eis van NOC*NSF. Toen bekend werd dat Swinkels naar Atlanta ging, stortte de pers zich op hem als nooit tevoren. “Ik begon al die aandacht pas in 1992 een beetje leuk te vinden.” Toen hij in 1976 zilver won, was niet iedereen enthousiast. “Ik heb toen nog veel negatieve publiciteit gehad. Omdat veel mensen niet wisten wat kleiduivenschieten was en omdat het met wapens te maken had. En ik reed in die tijd in een mooie auto, droeg geen T-shirt met gaten erin. Kleiduivenschieten werd toen als een elitesport gezien, ze zagen mij als een balletje. Dat beeld is al lang veranderd.”

Hennie Dompeling (30) is de andere Nederlandse kleiduivenschutter in Atlanta. Vrienden zijn de introverte Dompeling en de extraverte Swinkels niet. “Zijn we wel geweest, tot anderhalf jaar geleden.” De verhoudingen zijn bekoeld en Swinkels betreurt dat. “Broodnijd”, zegt hij over Dompeling, die ook een schietbaan bezit. In tegenstelling tot de Noordhollander verkeert Swinkels op de Spelen in de positie van underdog. “Hij is de man die de gouden medaille moet gaan halen van NOC*NSF. Hij is de man, laat hem het maar waarmaken.” Swinkels mikt op een plaats bij de eerste tien, in een veld van meer dan vijftig schutters. In Barcelona eindigde Swinkels als zevende. Hij schoot 197 van de 200 kleiduiven aan flarden.

Tussen de 23-jarige Swinkels die in 1972 aan zijn eerste Spelen deelnam en de Swinkels van nu zit een verschil van vierentwintig jaar. Aanvankelijk bagatelliseert hij de invloed die leeftijd bij kleiduivenschutters speelt. Maar hij moet toegeven dat zijn concentratie- en reactievermogen afnemen. Als “ontzettend doorgewinterde schutter”, zoals hij zichzelf omschrijft, weet hij het verlies aan reactievermogen te compenseren. “Ik smokkel het er op andere manier bij. Ik neem wat meer risico en luister nog beter naar de machine zodat ik eerder kan starten.” Schieten is ook een kwestie van gevoel geworden. “Het is zeker geen automatisme. Dat zou mijn grootste vijand zijn; als ik niet meer aan mijn techniek werk en niet meer nadenk bij wat ik doe.”

Momenteel is Swinkels in vorm. Vorm, dat is voor hem “concentratie kunnen opbrengen, lichamelijk lekker in je vel zitten en zelfvertrouwen hebben”. Op de laatste vier Spelen bereikte Swinkels steeds zijn top. “In de periode 1972-'84 won ik negen van de tien wedstrijden, nu één van de tien. Op de Spelen moet ik die topvorm weer hebben en in '88 en '92 is dat gelukt.”

De Brabander verheugt zich niet alleen op de wedstrijden van zaterdag en zondag. Voor de zesde keer zal hij zich in het evenement storten. Als hij zijn laatste kleiduiven heeft geschoten, bezoekt hij zoveel mogelijk wedstrijden waar Nederlandse sporters actief zijn. Hij geniet van de sfeer, van de sporters uit andere disciplines. “De Olympische Spelen zijn gemaakt voor de verbroedering in de sport.” Dus vindt hij meedoen belangrijker dan winnen. Toch is Swinkels apetrots op zijn olympische medaille. “Sinds 1964 staat skeet op het olympische programma. Van de vijf miljard mensen op aarde zijn er 28 die daar een medaille hebben gehaald. En daarvan hangt er één bij Eric Swinkels aan de muur. Mooi toch?”

    • Ward op den Brouw