Dood tij in te duur Lelystad

LELYSTAD, 24 JULI. Op nummer 23 is nog leven, de rest van de straat is stil. Sinds Ria van hiernaast is vertrokken, dat is nu een maand geleden, heeft de familie Boonstra in Lelystad geen buren meer. “Die aan de andere kant zijn een jaar geleden naar Drenthe verhuisd”, zegt D. Boonstra. “En het huis dáárnaast stond al leeg toen wij hier kwamen wonen. Dat is twee jaar geleden.”

Vier van de zes huizen in dit rijtje van de Wold in Lelystad staan leeg. Aan de overkant vijf van de negen. De bewoners die nog zijn overgebleven, hebben posters op hun ramen geplakt: 'Onbetaalbaar verklaarde woning'.

Ook hele stukken van het naastgelegen stratenstelsel Kamp zijn uitgestorven. De huizen zijn er doorzichtig geworden. Alleen aan de afgeleefde inbouwkeukens is te zien dat hier ooit mensen hebben gewoond. En aan de tuintjes, waar de pluimen van het siergras langzaam worden gewurgd door opschietende bruidssluier. De heesters zijn tot een knoest afgesnoeid. Overal stuift zand.

Lelystad kalft af. Bijna dertig jaar geleden als boomtown begonnen, met tot 1980 elke twee of drie jaar een verdubbeling van de bevolking, ziet de polderstad nu al zo'n anderhalf jaar lang meer mensen gaan dan komen.

De leegloop vordert gestaag. Elke maand van 1995 vertrokken gemiddeld 307 bewoners en elke maand stonden er minder 'immigranten' tegenover. Ook de natuurlijke aanwas van de bevolking kan dat cijfer niet compenseren. De stad schommelt inmiddels al vier jaar even boven de 60.000 inwoners.

Het dode tij in de demografie is niet langer het resultaat van de moeilijke omstandigheden in Lelystad, het is er de belangrijkste oorzaak van geworden. De stad is op de groei gesneden en ze was nog lang niet volgroeid. Bij de bouw gingen de planologen nog uit van 100.000 inwoners in het jaar 2000.

In de loop der jaren is die verwachting weliswaar steeds verder bijgesteld naar beneden, maar de woningvoorraad, het ambtelijk apparaat en de publieke voorzieningen zijn nog altijd berekend op veel meer dan die 60.000 inwoners van nu.

De gevolgen: leegstand, hoge lasten en bezuinigingen op voorzieningen. Sinds 1986 staat de gemeente onder curatele van de minister van Financiën. Van de ruim 700 ambtenaren zijn er 170 afgevloeid. Van de drie bibliotheekfilialen die er eerst waren, is er nog één over.

En toch was Lelystad in 1995, met een werkloosheid van meer dan 17 procent, de duurste gemeente van Nederland. Aan woonlasten betaalde de Lelystedeling per woning een bedrag van 1.262,27 gulden - ruim zes procent meer dan het jaar ervoor.

“Wij weten niet hoelang we hier nog kunnen blijven”, zegt D. Boonstra. Haar huur bedraagt bijna 850 gulden per maand. Toen ze twee jaar geleden naar de Wold verhuisde was het 750 gulden. En dat vond ze al duur. Ze hadden juist om een kleinere woning gevraagd. “We kregen een grotere.”

Daarbij kwam elk jaar de maximale huurstijging van 6,5 procent. “En de woningbouwvereniging knapt niks op. Een half jaar geleden is iemand gekomen om een nieuwe voordeur te bestellen. Drie maanden daarna is de aanvraag de deur uitgegaan en nou heb ik nog steeds geen nieuwe voordeur.” Dit jaar heeft zij de huurverhoging geweigerd. Met alle overgebleven buren.

Directeur B. Doorten van de Woningbouwstichting Lelystad geeft toe dat de hoogte van de huren, zo ze de mensen niet de stad uitjaagt, ze in elk geval niet aanlokt.

Pagina 3: Masterplan moet tij in Lelystad keren

De huren liggen in Lelystad volgens directeur Doorten gemiddeld honderd gulden hoger dan in de rest van Nederland. “Er zijn hier namelijk geen oude, goedkope woningen, zoals in andere steden. Daar is Lelystad te jong voor.”

Interim-manager R. van Otterloo van de noodlijdende woningbouwvereniging De Opdracht verdedigt de huurverhoging. De verhouding tussen prijs en kwaliteit is in orde, vindt hij. De woningen (twee verdiepingen, tuintje voor, tuintje achter) zijn in goede staat en daarmee 'goed verhuurbaar'. Met de huizen is weinig mis, volgens Van Otterloo. “Er zijn alleen te weinig bewoners voor het aantal woningen.”

Daar probeert de gemeente wat aan te doen. Dit jaar presenteerde zij haar 'masterplan versnelde groei'. Een halve kilo goede voornemens - 'cultuuromslag', 'kwaliteitssprong' - waarmee de stad groter hoopt te worden. In tien jaar tijd moet de stad naar 80.000 inwoners groeien. En liefst rijkere dan er nu zijn. Dat is moeilijk genoeg, want in heel Flevoland is geen hoger onderwijs te vinden, dus wat je het 'jonge kader' van de stad zou kunnen noemen, trekt weg om te gaan studeren en komt zelden terug.

Toch worden de komende jaren, hoe paradoxaal dat ook klinkt, weer nieuwe woningen bijgebouwd. Koopwoningen, wel te verstaan. Woordvoerder K. Cloo van de gemeente wijst op de animo voor de mooie, dure woningen op het voormalige sportterrein Beukenhof. Daar stonden 550 mensen in de rij voor 54 kavels. 'Wonen' en 'ruimte' zijn onverminderd sterke punten van de polder. “Ik wil voor mijn verdriet hier nog niet weg”, drukt een bewoner het uit.

Maar buiten de polder heeft Lelystad “geen imago”, zucht Cloo. De Amsterdammer die nu nog de hoofdstad verlaat, zoekt een huis in Almere, niet in Lelystad. In Almere komt de huiszoeker op een wachtlijst van drie jaar. Als morgen vijftig gegadigden zich aanmelden in Lelystad, kan De Opdracht ze alle vijftig helpen, zegt Van Otterloo.

Maar ze komen niet. Weinig opwindend ('Stoelendief snel gepakt' haalt de voorpagina van het Dagblad Flevoland) en het eind van de wereld - dat is Lelystad voor de buitenwacht. Als de ouders van juwelier R. Jansen 's ochtends tegen hun Hilversumse buurman zeggen dat ze even langsgaan bij hun zoon in Lelystad, vraagt die of ze dan nog wel terugkomen die nacht. “Alsof ze naar de rimboe reizen. Hilversum ligt 50 kilometer hiervandaan!”

Jansen, bestuurslid van de winkeliersvereniging van het oudste winkelcentrum, Lelycenter, weet hoe moeilijk het is, lege plekken in het centrum te vullen. Bedrijvigheid naar Lelystad halen is zo mogelijk nog belangrijker dan nieuwe inwoners. En moeilijker. Het masterplan hoopt op een “aanzienlijke toevoeging” van het aantal arbeidsplaatsen. Maar, zegt Jansen: “Probeer het hoofdkantoor van een lampenwinkel in Badhoevedorp maar eens te overtuigen dat er emplooi is voor een filiaal in Lelystad. Veel criminaliteit, arme klanten, dat is wat ze daar denken.”

Jansen verdient naar eigen zeggen 'een goede boterham': “Mijn gemiddelde besteding per klant is hoger dan in de rest van Nederland.” Maar hij nuanceert zijn woorden: “Ik bedien de 'bovenkant' van de markt.” De winkeliers voor de 'onderkant' hebben het wel degelijk moeilijk. Hun klanten moeten elk dubbeltje twee keer omkeren voor ze het uitgeven.

De niet zo rijke meneer en mevrouw Weber zitten op het bankje voor hun huis aan de Kamp. Hij denksport, zij borduurt. Nu ze leven van het pensioen van meneer Weber knellen de lasten (hun huur is in vier jaar tijd gestegen van 700 naar 900 gulden) des te harder. “Wij hebben een nieuwe hobby gekregen”, zegt mevrouw Weber, terwijl ze rode-bessenwijn schenkt. “Zelf wijn maken.”

De woningbouwvereniging zet huurwoningen om in koopwoningen. Door de gunstige rentestand is dat uiteindelijk nog voordeliger voor de bewoner. De Opdracht, zegt interim-manager Van Otterloo, heeft een constructie bedacht met de lokale Rabobank. Degene die een huis koopt in plaats van huurt, kan zo'n 200 à 300 gulden per maand minder kwijt zijn aan hypotheek dan aan huur.

De Webers zouden het huis graag kopen maar of dat uitkan? Meneer Weber wijst op zijn auto die aan de overkant staat. “Tien, twaalf jaar oud. Maar ik kan geen nieuwe kopen”, zegt meneer Weber. “Dat bestaat niet meer.”