Coach maakt het beest los in Jenny Gal

ATLANTA, 24 JULI. Het is elke dag een enorme herrie in de olympische judohal, maar de stem van Cor van der Geest schalt toch overal bovenuit. De Nederlandse bondscoach schreeuwt vanaf zijn stoel aan de rand van de mat voortdurend aanwijzingen naar zijn judoka's.

Vasthouden, verdomme! Het hoort er allemaal bij, zegt hij. “Heb je die Koreaan gezien? En wat zeg je van die Cubaan? Die zijn net zo gek of misschien nog wel gekker. Maar ik zou het eigenlijk niet gek willen noemen, maar gedreven. Zo ben ik. Laat me nou toch gaan!”

Van der Geest is apetrots. Na Claudia Zwiers heeft nu ook Jenny Gal een bronzen medaille gewonnen. Van der Geest is de vrouwenbondscoach, maar tevens hun clubtrainer bij zijn Haarlemse sportschool Kenamju. “Voor Claudia zat er niet meer in, maar Jenny had hier kunnen winnen.” Om er meteen aan toe te voegen dat hij best tevreden is. “Dit zijn de Olympische Spelen, jongen!”

“Is ze niet om op te vreten? Het is zo'n lekker meisje”, zegt hij wijzend op Gal. “We houden van elkaar.” Na de affaire-Ooms is zo'n uitspraak gevaarlijk. “Waarom? Ik ga heel ver, maar bij Cor van der Geest gebeurt niets raars. Ik ga me nu ineens ook niet anders gedragen. Ik heb niets te verbergen. Iedereen mag bij mijn sportschool binnenkomen en kijken wat er gebeurt. We liggen daar met z'n allen op de mat. Ik ga nooit met iemand de kleedkamer in. Dat is het verschil met Ooms. Die ging altijd naar van die achteraf-hoekjes.”

Zijn pupillen lopen met hem weg. Ze accepteren dat hij naar ze schreeuwt. “Ik moet het beest in ze losmaken”, verduidelijkt Van der Geest. Daarom vangt hij Jenny Gal na haar nederlaag in de halve finale met opgestoken vinger op en noemt haar volgende tegenstander. Kobas! Kobas! Die moet je verslaan! Alleen nog aan Kobas denken!

Tien minuten later heeft Gal de Turkse judoka in de armklem. Van der Geest: “Ik zeg in zo'n pauze teksten tegen Jenny die ik liever niet meer herhaal. Dat is tussen ons. Ik hou haar voortdurend een spiegel voor. Natuurlijk weet ik wat ik heb geroepen. De mensen denken dat ik er zo maar wat uitgooi, maar dat is onzin. Ik ben gewoon betrokken bij mijn judoka's. Ik win en verlies met ze.” Als Jenny Gal zich bij de dopingcontrole moet melden, zegt Van der Geest: “We gaan piesen.”

De 51-jarige Haarlemmer is een emotioneel mens. Hij schreeuwt en vloekt. En als een judoka van hem succes boekt, wordt hij gek van vreugde. Andere coaches ergeren zich mateloos aan hem. Ze vinden Van der Geest een ordinaire schreeuwlelijk. Hij zegt dat hij is zoals hij is.

“Er is veel jaloezie”, weet Van der Geest. “Daar probeer ik boven te staan, maar dat is niet eenvoudig.” Hij staat niet alleen, zegt hij. “Heb je de EK in Den Haag niet gezien? Ik hoefde maar even zo met mijn hand te doen en het publiek ging uit zijn dak.”

Van der Geest beseft dat het nadelig is voor het Nederlandse judo dat hij een slechte verstandhouding heeft met collega's De Korte en Visser. “Schandalig is het! Als je toch ziet wat voor geweldige judoka's we hebben.” Zelf is hij niet schuldig aan het conflict. “Maar ik begrijp dat de anderen dat ook zullen zeggen.” Hij communiceert met collega-bondscoach Visser via een tussenpersoon. “Dat is inderdaad om te lachen, ja.” Hij zegt te hebben geprobeerd de verhoudingen te normaliseren. “Eén keer heb ik echt gigantisch mijn harses gestoten. Ik lijk misschien wel op een ezel, maar ik stoot mezelf in ieder geval geen tweede keer.”

Van der Geest en Visser zijn totaal verschillende persoonlijkheden. Zo uitgelaten Van der Geest is, zo rustig zit Visser aan de rand van de mat. Van der Geest: “Er leiden meer wegen naar Rome, maar ik begrijp niet dat iemand helemaal geen emotie toont.”

Toch hebben de coaches elkaar nodig, weet Van der Geest. “In judo zijn sparringpartners verschrikkelijk belangrijk. Een eigenwijze judoka riep eens dat hij een individuele sport bedreef. Kom jij dan maar morgenmiddag om twaalf uur trainen, zei ik tegen hem. Ja, maar dan is er niemand met wie ik kan trainen. Dat bedoel ik dus.” En dan zonder namen te noemen: “Een hoop trainers denken dat ze God zijn.”

Van der Geest gaat 's avonds niet naar de huldiging van Jenny Gal. Dat komt omdat een dag later Jessica, de zus van Jenny, nog moet judoën. “En zij verdient mijn volledige aandacht. Als ik naar zo'n feest ga, kom ik in andere sferen. Ik hou van gezelligheid, dus zou ik het er best naar mijn zin hebben. Maar dat is voor later. Ik wil scherp blijven tot de laatste snik. Daarom ga ik weer vroeg naar bed.”

    • Hans Klippus