Artsen kunnen rupsziekte niet aan

BREDA, 24 JULI. De bestrijding van de processierups moet op de politieke agenda. Zo niet, dan zal de overlast volgend jaar opnieuw groot zijn. Dat zegt medisch milieukundige H.W.A. Jans van het provinciaal bureau medische milieukunde voor de GGD's in Brabant en Zeeland. “Vroegtijdige gecoördineerde acties van de gemeenten, de inspectie voor de volksgezondheid en de plantenkundige dienst zijn van het grootste belang.”, meent Jans.

Het aantal klachten is naar zijn zeggen dit jaar vele malen groter dan voorgaande jaren, wat waarschijnlijk komt doordat er door het warme weer van de afgelopen jaren meer rupsen zijn geweest. Een op de drie mensen die zich bij de huisartsen meldt, zo blijkt uit een onderzoek van het bureau, heeft klachten die verband houden met de haartjes van de processierups. Die klachten zijn geïrriteerde huid, ogen en irritatie van de bovenste luchtwegen. “We horen van huisartsen dat ze het niet meer bij kunnen houden. Omdat veel mensen níet naar de arts gaan, kun je waarschijnlijk spreken van het topje van de ijsberg”, aldus Jans.

De problemen concentreren zich weliswaar in Zuidoost- en Midden-Brabant maar volgens Jans zijn er ook mensen die die gebieden hebben bezocht die er last van hebben. Uit reacties, aldus Jans, valt af te leiden dat er bij niet-Brabanders een zekere angst bestaat om naar deze provincie toe te komen. Campinghouders hebben daar vooral last van.

Jans meent dat de aanpak tot nog toe te weinig resultaat heeft. Gemeenten trachten de rupsen te verbranden of op te zuigen. “Er zullen zwaardere middelen in een vroeger stadium moet worden ingezet”, aldus Jans. Maar met het inzetten van bestrijdingsmiddelen moet voorzichtig worden omgegaan, “want dan verdelg je andere, nuttige dieren.”

Hij meent dat het gebruik van bacteriën, de Bacillis, een probaat middel is. “Maar die moet je gebruiken in een vroeg stadium, op het moment namelijk als de eitjes overgaan in het eerste stadium van de rups. Dat is eind april, begin mei.” Beter nog is het, aldus Jans, om eind augustus, begin september als de eitjes worden afgezet, op te treden.

De klachten duren ongeveer twee weken. Mensen met allergische aandoeningen zijn er, volgens Jans, niet bevattelijker voor dan anderen. Hoe groter de frequentie van aanraking met de haartjes is, des te heviger zijn de reacties.

Jans: “Niet krabben, je goed wassen en het gebruik van verzachtende zalf waarin bijvoorbeeld menthol of kamfer zit, willen wel helpen. Anderen zeggen gebaat te zijn bij groene zeep.”