Reclassering speelt informatie jihadverdachten door aan politie

Jihadverdachten Onduidelijk is of privacywetgeving dit toelaat. Het gaat om informatie afkomstig uit besloten gesprekken die de reclassering met hen voert.

De reclassering speelt informatie over jihadverdachten door aan de politie.
De reclassering speelt informatie over jihadverdachten door aan de politie. Foto Peter Brom

De reclassering speelt informatie over teruggekeerde jihadgangers door aan de politie, zonder te weten of privacywetgeving dit toelaat. Het gaat om informatie uit vertrouwelijke gesprekken met de reclassering. De instantie houdt toezicht op jihadverdachten in voorarrest en begeleidt veroordeelde jihadisten terug naar de samenleving. In totaal gaat het om 150 personen.

NRC wist de hand te leggen op een interne e-mail die een reclasseringsmedewerker in november 2016 stuurt aan de politie, over een vermeende vrouwelijke jihadganger. De medewerker heeft in het strafdossier gelezen dat de vrouw voor haar vertrek naar Turkije belde met een voor de politie onbekende man. „Ik wil even aangeven dat wij wel weten wie de persoon is met wie ze gebeld heeft”, mailt de medewerker aan de politie, en onthult vervolgens de identiteit van de beller. De medewerker schrijft dat de jihadganger de naam heeft genoemd tijdens het vertrouwelijke reclasseringscontact.

Uit onderzoek van de Universiteit Leiden naar het reclasseringstoezicht op jihadverdachten blijkt dat de instantie vaker informatie over hen doorgeeft aan ‘ketenpartners’ zoals de politie. Of dat mag, is twijfelachtig. Volgens de reclassering kan zij informatie doorgeven als daarmee een ‘strafbaar feit’ wordt voorkomen. Maar in het Leidse onderzoek staat dat wanneer de privacywetgeving het niet toelaat, de informatie alsnog „officieus” wordt gedeeld. Hierdoor verliezen verdachten volgens advocaten het vertrouwen in de reclassering.

Enorm veel kennis

„Er is geen helder kader om te bepalen wanneer reclassering informatie uit vertrouwelijke gesprekken met cliënten mag doorgeven aan de politie”, zegt terrorisme-onderzoeker Liesbeth van der Heide van de Universiteit Leiden, een van de auteurs van het rapport. „Door hun wekelijkse contact met terrorismeverdachten beschikken reclasseringswerkers over enorm veel kennis over terroristische netwerken, maar of die informatie gedeeld mag worden is niet duidelijk. Gevolg is dat iedere medewerker naar eigen inzicht handelt: de één heeft veel contact met de politie, de ander deelt nooit wat.”

Lees ook: Wie te weinig praat, moet de gevangenis weer in

Reclassering Nederland wil niet reageren op „individuele zaken” maar zegt altijd een „zorgvuldige afweging” te maken „tussen de belangen van een cliënt en het belang van de maatschappij”. Dit levert soms „dilemma’s” op. De woordvoerder geeft aan dat naar aanleiding van het rapport van de Universiteit Leiden wordt gekeken „of we zaken kunnen verbeteren”.

Reclassering als informant

Volgens Peter van der Laan, bijzonder hoogleraar Reclassering aan de Vrije Universiteit Amsterdam, gaat het om een nieuwe ontwikkeling. „De reclassering lijkt zich hier op te stellen als een informant van opsporingsinstanties. Dat ben ik niet eerder tegengekomen in onderzoeken naar de reclassering. Wel komt het voor dat zij in de zogeheten persoonsgerichte aanpak informatie uitwisselen over cliënten, maar dan altijd gericht op het tegengaan van recidive.”

Het doorgeven van informatie uit gesprekken ondermijnt de onafhankelijkheid van de reclassering, zegt Tamara Buruma, advocaat van de verdachte jihadganger over wie gelekt werd naar de politie. „De reclassering kan veel betekenen voor de reïntegratie, maar de dubbele rollen van deze reclasseringsmedewerkers en de indruk dat zij een verlengstuk zijn van politie en justitie maakt dat veel cliënten de reclassering niet meer vertrouwen.”