Wat een geluk

Het gevaar loert overal. Het is goed te beseffen dat het noodlot je bedreigt, van seconde tot seconde. Eén misstap op de keldertrap en je breekt je nek. Wachtend op lijn 24, Roelof Hartplein, sta je daar te praten met je vrienden. Eén levendig gebaar dat ruimte vraagt, je stapt achterwaarts de rijweg op en wordt overreden.

Besef aan het einde van de dag - als je nog leeft - wat een geluk je weer hebt gehad in een vredig land te leven, in een rustige straat, in een goed huis. Meestal besef je het niet, maar de stille ogenblikken dat het tot je doordringt hoe gelukkig je bent en je daar uiting aan geeft, zoek je meteen een stukje blank hout om het wat je noemt 'af te kloppen', je hebt niets gezegd.

Besef wat een geluk je hebt gehad als je na een verkwikkende slaap 's morgens weer wakker wordt. Je ontbijt, leest de krant, neemt de trein, komt er niet onder - wat een geluk.

En dat je in orde bent, dat het goed gaat met jou. Allerlei dagelijkse maatregelen tref je daartoe: je neemt de nodige vitaminen in, je brengt je auto op tijd naar de garage, je betaalt op tijd je belastingen. En je bouwt een pensioen op, wat goed van je! En wat een geluk dat je niet naar het front hoeft. Wat heerlijk dat je de romantiek van de oorlog kunt volgen via boek of film. Je vrouw koopt dagelijks het juiste onbespoten eten en jij volgt dagelijks de koersen op de beurs. Maar ook de maandelijkse en jaarlijkse activiteiten ademen een sfeer van voorzorg: je kinderen gaan naar de juiste scholen, je vrouw laat zich verwennen in de salon en jij ook, in een andere salon; er wordt op tijd met vakanties gegaan, er wordt op tijd een feestje gegeven, op tijd doorgezakt.

Zo heb je al met al de zaakjes voor elkaar. Als er niets bijzonders gebeurt, is het leven zoals je wilt dat het is. Geniet daarvan! Geniet van elk uur als van een gratis offerte en, als dat uur bevochten is, geniet van je overwinning.

Ik zit achter in mijn tuin en geniet van de aanstaande zonsondergang. En in het bijzonder vandaag geniet ik ervan, want tweemaal per jaar schijnt de ondergaande zon dwars door mijn huis heen, door het bovenlicht van de voordeur, vervolgens door het bovenlicht van de achterdeur en ten slotte mij, als ik op het bankje zit, pardoes in het gezicht. Normaal zit ik om deze tijd te werken of te lezen, maar twee keer per jaar, op 24 mei en 17 juli, is mijn huis een Stonehenge en kan ik, mits de zon schijnt!, de datum aflezen aan de speer van licht waarmee de late zon mijn huis doorsteekt en in brand zet. Inclusief de serre, ook daar brandt de zon in het kristal van de lampen - ik heb een vrouw die van kristal houdt - en in de spiegels - mijn vrouw is gek op spiegels. En zelfs in de keuken brandt het zonlicht, op deze wonderlijke Stonehenge-avond.

Wat onmogelijk is. In de keuken kan 's avonds de zon niet komen. Het vuur swingt, met lange dartele tongen... Ik vlieg door de tuin, zwaai de deur van de keuken open, het is echt vuur, de vlammen verkennen reeds de houten schouw en daarlangs omhoog het geverfde plafond, en ik roep Brand! Brand!, want in deze situatie ben je elementair. Mijn vrouw ook, ze smijt de telefoon neer, komt aanstormen, pakt het pannendeksel en slaat het neer op de brandende pan als een cymbaal...

Het vuur is gedoofd en het geblakerde houten plafond brandt niet langer. De spuitende tuinslang kan ik weer naar buiten gooien, waar hij kronkelend blijft doorspuiten.

Hete olie is het ergste wat er is. Een brandende aardolieput. Koeweit. Naar buiten gedragen met dikke handschoenen aan, en het deksel gelicht. Dan slaat de vlam opnieuw in de pan en ten hemel - zo heet zijn die twintig Goudse kaarsen die zo vredig naast elkaar, zo veilig au-bain-marie tot smelten moesten worden gebracht.

Wat een geluk, stellen we vast, dat dit ongeluk plaatsvond uitgerekend op Stonehenge-dag. Wat een geluk dat op deze dag de zon scheen.

Wat een geluk hebben wij gehad vanavond. En wat beklemt ons dat.

    • Gerrit Krol