Teleurstellende vertolking zomerliederen van Berlioz

Concert: Orchestre National de Lille o.l.v. Jean-Claude Casadesus, m.m.v. Françoise Pollet, sopraan. Werken van Beethoven, Berlioz en Dvorák.

Toen Mendelssohn eens een uitvoering had bezocht van Absence uit de liedcyclus Les nuits d'été van Hector Berlioz, complimenteerde hij na afloop zijn Franse collega met de fraaie inzet van de contrabassen. Aan de prestatie van zangeres Marie Recio - nota bene Berlioz' latere echtgenoot - maakte hij geen woord vuil. Het zou niet de laatste middelmatige uitvoering zijn van een lied uit Les nuits d'été, een opus dat door de grote omvang en de opera-achtige schrijfwijze hoge eisen aan de zanger stelt.

De vier contrabassisten uit het Orchestre National de Lille die maandag in het Concertgebouw tekenden voor de door Mendelssohn legendarisch geworden inzetten (de ironie wil trouwens dat deze in praktijk allerminst spectaculair zijn en onnadrukkelijk vanuit de diepte meeglijden in de totale strijkersklank) kweten zich naar behoren van hun taak. De prestatie van sopraan Françoise Pollet was echter wat teleurstellend.

Natuurlijk, de stem van deze bekende operazangeres is vaak prachtig van klank en meestal weet zij het midden en het lage register naar behoren aan te spreken, iets wat voor Les nuits d'été onontbeerlijk is. Toch bleef haar vertolking van deze mijlpaal uit de romantische liedkunst waarin dood en afscheid de centrale thematiek vormt, onbevredigend. Esthetiek leek soms boven dramatiek te worden gesteld en van een gedoseerde opbouw was geen sprake. Bovendien wist dirigent Jean-Claude Casadesus slechts met zeer veel moeite te voorkomen dat het geheel ging schuiven.

Dat verbaast des te meer omdat onder zijn gedreven leiding het Orchestre National de Lille tot een bekwame uitvoering van Beethovens Ouverture Coriolan kwam en zelfs tot een soms elektrificerende vertolking van Dvoráks Negende symfonie - Uit de nieuwe wereld. Vanaf de eerste maat in de ouverture van Beethoven wekt Casadesus de indruk zijn oor scherp te luisteren te hebben gelegd bij een Beethoven-dirigent als Wilhelm Furtwängler. Mede door de stevige bezetting mag het Orchestre National de Lille enigszins gedateerd aandoen, maar tegelijkertijd wordt hierdoor in de strijkers een klank gerealiseerd die statig is en somptueus tegelijk.

En als deze rijke strijkersklank wordt ingezet bij een uitvoering waarin dynamische uitersten niet worden geschuwd en de musici voortvarend het vuur uit de sloffen lopen, zoals in Dvoráks Negende, dan kan een passage met hier en daar een beetje craquelé in het koper of een enkele beurse plek in de houtblazerssectie het totaal nauwelijks negatief beïnvloeden. De suggestie de componist op heterdaad te betrappen bij zijn arbeid vormt de essentie van de reproducerende toonkunst. Alle kennis, inzicht en vakmanschap moet in dienst worden gesteld van dat doel, zonder dat de spontaniteit ook maar een moment verloren mag gaan. En dat lijkt de talentvolle Casadesus als weinig anderen te beseffen.

    • Emile Wennekes