PETER LUDWIG (1925-1996); Een grossier in beeldende kunst

De Duitse chocoladefabrikant en collectioneur Peter Ludwig, die zondagnacht in een ziekenhuis in zijn woonplaats Aken is overleden, heeft bijna een halve eeuw lang blijk gegeven van een onverzadigbare honger naar beeldende kunst. Er is nauwelijks een kunsthistorisch terrein te noemen dat hij en zijn vrouw links lieten liggen. En er is evenmin een Europese verzamelaar te noteren, die zich met de 'grossier' Ludwig kan meten.

Het kinderloze echtpaar kocht vanaf de jaren zestig oudheidkundige objecten, middeleeuwse handschriften en kunstnijverheid uit de renaissance en de barok, precolumbiaans aardewerk, etnografica en vele 'klassieke modernen': van de Duitse expressionisten via het Amerikaanse hyperrealisme van Duane Hanson en George Segal naar de, vaak vroeg verworven, pop-art van Roy Lichtenstein en Andy Warhol. Vele actuele kunstenaars, zoals Christian Boltanski, Anselm Kiefer, Jean Tinguely en Arnulf Rainer, zijn eveneens in de verzameling opgenomen. De laatste decennia beperkten de Ludwigs zich tot de twintigste eeuw, en recentelijk tot de eigentijdse kunst uit nog niet 'ontgonnen' landen als Cuba, China en Taiwan.

Dank zij die oeverloze kooplust bracht Ludwig het tot 'de grootste en succesrijkste particuliere kunstverzamelaar van Europa'. Hij achtte het zijn 'maatschappelijke taak om net als vooraanstaande Amerikaanse families kunst voor mensen toegankelijk te maken' in zijn eigen musea. Contacten met kunstenaars deden er niet toe. “Wat de kunstenaar te zeggen heeft, zie ik wel in zijn werk”, zei Ludwig tijdens een vraaggesprek met NRC Handelsblad in 1982.

Peter Ludwig stamde uit een ondernemersfamilie in Koblenz. Na zijn diensttijd in de oorlog en krijgsgevangenschap studeerde hij kunstgeschiedenis in Mainz. Daar leerde hij zijn vrouw kennen, de kunsthistorica Irene Monheim, dochter van een chocoladefabrikant. In 1951 kwam Ludwig in het concern van Leonard Monheim in Aken terecht, waar hij 's morgens om half acht al in zijn kunstloze kamer te vinden was. Het later tot Ludwig Chocolade GmbH omgedoopte bedrijf ontwikkelde zich tot een van de grootste Duitse chocolade-producenten, met een jaaromzet van ruim 2 miljard gulden. In 1986 verkocht Ludwig het grootste deel van zijn firma aan Jacob-Suchard.

De verzamelaar Ludwig kocht veel, snel en, desnoods, weinig kieskeurig, onder het motto: 'Verkoop aan ons en u behoort tot de collectie'. Wie vroegtijdig de Biennale in Venetië bezocht, kwam daar dan onherroepelijk de forse, later wat gebogen gestalte van de 'Pralinenmeister' tegen; slenterend in een onopvallend kostuum, kijkend, turend en mompelend in zijn opname-apparaat, opdat niets hem zou ontglippen.

Een spectaculair voorbeeld van zijn groothandelspraktijken was begin jaren tachtig de bulk van nog verborgen, eigentijdse kunst die vanuit het Oostblok naar Duitsland stroomde. In één klap waren de Ludwigs vijfhonderd Russische werken rijker, veelal naargeestige, figuratieve schilderijen van het tweede, derde garnituur. Toch wisten zij met die transactie de westerse import van Russische kunst een fikse impuls te geven.

De vele duizenden stukken zijn nu verspreid over zeven naar Ludwig vernoemde Europese musea en net zovele stichtingen, die samen een ingewikkeld netwerk vormen van schenkingen, bruiklenen en privé-bezittingen. Het echtpaar heeft in die 'filialen' zeggenschap over het beleid. Zo mateloos als Ludwig was in zijn kooplust, zo mateloos was hij ook in zijn museale expansiedrift. In Keulen opende in 1986 vlakbij de Dom een fabrieksachtige 'koningspiramide', aldus opposanten. Eerder had deze stad al 340 moderne kunstwerken ontvangen. In Oberhausen bracht de 'Ludwig-Stiftung für Kunst der DDR' vijfhonderd werken onder in het 'Barokschloss'. Aan de gevel van het oudheidkundig museum van Bazel hing al een Ludwig-naambordje, na een schenking van honderd antieke vazen, beeldhouwwerken en reliëfs. Aken liet in 1991 een paraplu-fabriek ombouwen tot Ludwig Museum voor wisselende tentoonstellingen van moderne kunst. Dat de fabrikant in 1983 een uitzonderlijke verzameling van 144 middeleeuwse handschriften aan het Paul Getty Museum in Californië verkocht om zijn in moeilijkheden gekomen bedrijf en zijn 'Ludwig-Stiftung für Kunst und internationale Verständigung GmbH' te financieren, werd hem zeer kwalijk genomen: 'Een uitverkoop van Duits cultureel erfgoed'.

In 1991 maakte ook Boedapest ruimte vrij in de National Galerie om een voor Hongarije onbetaalbare, 20ste-eeuwse Ludwig-collectie te verwelkomen. Vorig jaar ontving Sint Petersburg honderd kunstwerken voor een Ludwig-dependance. En Moskou bereidt al lange tijd de huisvesting voor van weer andere collectie uit Aken. In Oostenrijk kreeg de Akense 'Bundeskunstminister' niet zonder slag of stoot museale voet aan de grond. De staat verplichtte hem vijftien jaar lang een jaarlijkse bijdrage van 1,5 miljoen Duitse marken in een kunstfonds te deponeren.

Zijn leven lang is Ludwig trouw gebleven aan een van de grootste kunstenaars van deze eeuw, over wiens werk hij in 1950 een dissertatie schreef: Pablo Picasso. Zo'n tweehonderd schilderijen en zeshonderd bladen, beelden en keramische stukken uit al diens levensfasen komen in de collectie voor. Desondanks kreeg Ludwig niet het respect dat een verzamelaar als Hans Hein baron Thyssen-Bornemisza als vanzelfsprekend toevalt. Daarbij speelt wellicht het verschil tussen 'oud' en 'nieuw' geld een rol, evenals het feit dat Thyssen meer prestigieuze, vroege kunst in zijn Madrileens museum tentoonstelt. De schaamteloze, soms ongenuanceerde verzameldrift van het echtpaar moet eveneens aan dat geschonden imago hebben bijgedragen. Dat de Ludwigs zich door de nazi-beeldhouwer Arno Breker lieten portretteren en daarnaast nog pleitten voor een museale rehabilitatie van de mierzoete 'Heimatskunst' van de nazi's, maakten hun reputatie er evenmin beter op.

Toch blijft het Peter Ludwigs grote verdienste dat hij een internationaal publiek in oost en west met de vele facetten van de beeldende kunst in aanraking heeft gebracht. Niet alleen als altruïst, zoals hij zelf toegaf: “Ieder mens wil graag doorwerken tot na zijn dood. Dat is een menselijke oerdrift. (...) Iedereen probeert daarom iets te doen dat verder reikt dan zijn leven.”

    • Marianne Vermeijden