Het einde van een man uit de bergen

Jan Michael: Ik ben Joshua en mijn vader is een held. Vert. Anouk van Rij, Uitg. Leopold, 152 blz., vanaf 10 jaar. Prijs ƒ 29,90

Eenzaamheid, stervende vaders, dode moeders en adoptie - Ik ben Joshua en mijn vader is een held van Jan Michael heeft de schijn tegen. Het klinkt als een drakerig probleemboek, waarin de ene ramp na de andere zich aandient. Maar dat is het niet, dankzij Michaels bijna serene manier van schrijven. Zij beschrijft gebeurtenissen die tot grote gevoelens leiden, en niet zozeer die gevoelens zelf. Ze licht weinig toe en legt niets echt uit, maar voert de lezer op een vanzelfsprekende manier mee in een onbekende wereld, met onbekende normen en waarden. Het boek leest alsof je naar een aangrijpende documentaire kijkt.

Joshua is een jongen van ongeveer elf jaar die leeft in een klein dorp aan de kust van een niet nader aangeduid warm land, vermoedelijk in Afrika. Er groeien mango's, perziken en tamarindes, de zon schijnt en de mensen voorzien in hun onderhoud door te vissen. Allemaal, behalve Joshua's vader, die slager is. Dat maakt al dat hij vaak met weinig respect bejegend wordt, ze schelden hem uit voor 'vleesverkoper' (een vreselijke vloek voor de dorpsbewoners). Maar erger nog is dat hij het niet laten kan hout te bewerken en er beeldjes van te snijden. Vissers maken geen afbeeldingen, want dat brengt ongeluk. Ze zijn katholiek, maar hebben gedeeltes van hun eigen geloof behouden en ingepast in de leer van de kerk.

Jan Michael vertelt niet hoe dat precies is gegaan, maar geeft een beeld van een gemeenschap die met uiteenlopende, zwaarwegende voorschriften leeft. De oren van een varken worden na zijn dood afgesneden: “Dat moest, zodat het varken niet kon horen dat zijn ziel wegging.” Op het maken van (afgods)beelden rust het strengste verbod. De vissers zijn ervan overtuigd dat het houten varken aan de pui van de slagerij, dat Joshua's vader heeft gemaakt, de vangst verpest. Sinds het opgehangen is, komt niemand meer vlees kopen.

Maar Joshua houdt van Varken, zoals hij het beeld noemt, en zit vaak gezellig met hem buiten in de zon. Als hij tenminste niet hoeft te vegen, koffie te zetten, fruit te verkopen of af te wassen, want hij heeft vakantie van school en dat betekent werken. Zelf vindt hij dat heel normaal en hij denkt er niet over na, alleen de lezer valt het op omdat Michael die grote hoeveelheid doodgewone handelingen heel precies beschrijft.

Pas als zijn vader na de affaire over het houten varken - een woedende toeloop van alle mannen uit het dorp dwingt hem het van de gevel te halen - flink aan het palmwijn hijsen slaat, worden Joshua's taken te zwaar. Er wordt zelfs geen eten meer voor hem gekookt, dus zoekt hij zijn toevlucht bij de buren waar zijn vriend Robert woont. De moeder des huizes foetert zachtjes op zijn vader, maar natuurlijk hoort Joshua dat best: “'Doodzonde. Wat je ook van hem vindt, hij is altijd een hele goede vader geweest.' 'Dat is hij nog steeds,' wilde hij schreeuwen. Hij was er zo goed als zeker van dat zijn vader voor zijn avondeten zou hebben gezorgd, als hij maar lang genoeg was gebleven om daar op te wachten. Ten minste, dat dacht hij...”

Er wordt steeds meer geroddeld en het is uiteindelijk zijn vriendje die Joshua de waarheid recht in zijn gezicht zegt. Zijn vader, die slachten kan, maar niet de zee op durft, die ritueel slacht, maar ook beelden durft te maken, hoort eigenlijk niet bij de dorpsbewoners. Het is een man uit de bergen, van een ander volk, vreemde zwijgzame mensen die er een ander geloof op na houden en die af en toe met rare bergbessen op het marktplein verschijnen. Hij trouwde een dorpsmeisje, dat stierf tijdens de geboorte van haar zoon. Joshua kan en wil het aanvankelijk niet geloven. Hij is er vast van overtuigd dat alle bergmannen die ooit een voet in het dorp zetten, komen te overlijden. En dat is inderdaad wat er gebeurt.

Joshua's eerste reactie als hij begrijpt dat zijn vader stervende is, is typerend voor een kind. Hij vraagt zich meteen af wie er dan verder voor hem zal zorgen: “Ze had zoveel kinderen, misschien was er wel plaats voor nog eentje meer, dacht hij. 'Laat mijn papa niet doodgaan,' bad hij stil, 'laat hem niet doodgaan.' ” Als dat niet geholpen heeft, komt er een grote gelatenheid over hem. Hij komt te wonen in het klooster tussen de andere wezen en stemt in met de adoptieplannen van een toeristenechtpaar. Als hij beseft dat hij in het vreemde land van die mensen ook niet thuis zal zijn, probeert hij, vervuld van schuldgevoelens over de dood van zijn vader, weg te lopen naar het bergvolk. Totdat hij durft te zeggen dat hij gewoon Joshua is, een jongen uit het dorp. Hij pakt een stuk hout en begint te snijden.

    • Judith Eiselin