(Grote) zwendel, stelletje oplichters

Jan C.P.M.Vis, Gegevens over de politieke kennis van Nederlanders. Steinmetzarchief/SWIDOC 1996, 183 blz. ISBN 90-71684-45-8 Prijs ƒ 35,-

De Partij voor Ongehuwden was in 1971 bekend bij zeventien procent van de Nederlandse mannen. Minister Luns (Buitenlandse Zaken) was begin oktober 1952 bekend bij elf procent van de bevolking. In maart 1953 was dat al 29 procent, en in december 1967 was de almaar minister blijvende Luns de bekendste van het kabinet geworden: 89 procent kende hem.

Het menselijk brein is een labyrint met veel lagen en vreemde kronkels. Wat is weten? Wat zit er in het hoofd? En wat komt er uit? In ieder geval komt er geen einde aan. Feiten, feiten, feiten, bibliotheken vol. Onlangs werd gepubliceerd Gegevens over de politieke kennis van Nederlanders, een barrage van feiten, weetjes en onkennis ontfutseld aan de hoofden der Nederlanders.

Dit boorgat in de politieke sneeuw van gisteren biedt een bij vlagen duizelingwekkend inkijkje in het algemene politieke ontwikkelingspeil in het vaderland. Het is een verzameling van 176 tabellen, variërend van de bekendheid van ministers in de jaren vijftig (minister Beerman scoort zes procent in 1959) tot 'de naam van de stad waar de regering een vliegveld wil aanleggen' (Rotterdam, bekend bij 21 procent van de 13- en 14-jarigen in 1994). Het werkje ontstond als bijprodukt van het vorig jaar voltooide promotie-onderzoek van de Groningse socioloog dr. J.C.P.M. Vis naar de politieke kennis van leraren maatschappijleer en geschiedenis. De gekste dingen komen we te weten. Dertien procent van de 1.101 ondervraagde Nederlanders was het in 1970 oneens met het Grondwetsartikel van de vrijheid van drukpers. Maar op 1 en 2 maart 1982 zeiden opeens twee keer zoveel mensen dat ze het met die vrijheid oneens waren. Waarom? De tabellen zwijgen. Misschien waren in '82 de verhoudingen tijdelijk verhard, Nederland werd in die tijd geregeerd door een kortstondig vechtkabinet van Van Agt en Den Uyl. Rustig was het niet. Op 1 maart 1982 publiceerde NRC Handelsblad een foto op de voorpagina van agenten met getrokken pistool, die op het Amsterdamse Museumplein de openbare orde proberen te herstellen tijdens een anti-Amerikaanse demonstratie. Op dezelfde voorpagina staat een foto van een Franse politie-tank, ingezet om Franse anti-kernenergiedemonstranten te imponeren. Misschien hebben die troebelen de behoefte aan vrijheid van meningsuiting negatief beïnvloed, toen 's avonds een vriendelijke medewerker van het NIPO naar de mening kwam informeren.

Hoe het er nu bij staat met de meningsvrijheid is in geen tabel te vinden. Wel vinden we het enigszins geruststellende cijfer dat in 1994 bijna driekwart van de jongeren weet dat koningin Beatrix niet bepaalt wie er regeert en toch ook nog dat een kleine meerderheid van hen weet dat de Eerste Kamer niet is afgeschaft. Best veel, want in 1991 wist 29 procent van de docenten politieke vorming niet 'dat een motie geen voorstel is tot wijziging van een wetsontwerp'. En op de vraag waarover artikel zeven van de Grondwet gaat, wist maar 11 procent het goede antwoord (inderdaad: over de vrijheid van meningsuiting).

In de zomer van 1961 werd aan een steekproef uit de Nederlandse bevolking gevraagd wat de eerste gedachte was bij het woord 'politiek'. De grootste groep, zestien procent, gaf daarop zonder blikken of blozen een antwoord dat door het NIPO gerubriceerd werd in de categorie: '(grote) zwendel; stelletje oplichters; bedrog; (grote) kliek; oneerlijkheid; vuiligheid'. Drie procent denkt: 'geklets; gepraat zonder iets te doen'. Bij acht procent van de mannen en dertien procent van de vrouwen is de eerste associatie: 'oorlog, oorlogsdreiging'. Gek is die verbinding niet, want in april voerden de VS een mislukte aanval uit op Cuba en in augustus werd na een periode van snel oplopende spanningen de Berlijnse Muur gebouwd. Op Nederlands Nieuw Guinea verscherpte de dreiging van oorlog met Indonesië.

Maar ach, in de tabellen wordt voor de periode 1947-1973 maar liefst tien procent winst aan democratie-bewustzijn geboekt. Op 4 oktober 1973 vraagt het NIPO aan 1.054 Nederlanders: heeft u wel eens gehoord van het begrip 'democratisering'? Bijna driekwart van de ondervraagden kan zich er wel iets bij voorstellen. Bijna zevenentwintig jaar eerder, op 6 januari 1947, antwoordde maar 64 procent bevestigend op de vraag of men bekend was met de betekenis van het begrip 'democratie'. Over wat die democratie dan wel is zijn in 1973 overigens de meningen verdeeld. Vrije meningsuiting, zegt 36 procent. Betrokkenheid bij besluitvorming, zegt 28 procent. Monarchie, zegt twee procent. Geen monarchie, zegt vijf procent. Zou iemand zich nog kunnen herinneren toen aan een van al deze enquêtes te hebben meegedaan?Daarover zwijgen nog de tabellen.

    • Hendrik Spiering