De zachte weg

Judo kent vreemde mensen. En laten we eerlijk zijn: het is ook een beetje een vreemde sport. Wie niet zelf judoot, begrijpt weinig van wat judoka's met elkaar bedrijven. De liefde is het zeker niet. Aan elkaar rukkende mannen en vrouwen, over elkaar heen vallende mannen en vrouwen in pyjama met rondom mannen in blazers die al seinend een spraakgebrek lijken te verbloemen.

Maar zo heeft Jigoro Kano het wel min of meer wel bedoeld toen hij begin deze eeuw verschillende Japanse gevechtsmethoden aan elkaar koppelde en het als resultaat judo (zachte weg) noemde.

In elke judozaal hangt een portret van Kano. Hij schijnt een klein mannetje te zijn geweest, toen hij als 17-jarige ging studeren aan de keizerlijke universiteit van Tokio. Hij wilde zijn lichaam sterken en beoefende verschillende sporten zoals roeien, gymnastiek en honkbal. Maar omdat Kano veel fysieke kracht tekort kwam, werd hij vaak verslagen. Hij ging op zoek naar een andere manier om sterker te worden en hoorde van de geheime kunst van het ju-jutsu, een gevechtssysteem uit de Middeleeuwen. Ju-jutsu is een techniek waarin gebruik wordt gemaakt van de kracht van de tegenstander. Kano volgde de harde leerschool van de ju-jutsu-meesters en besloot een eigen techniek te ontwikkelen. Als 21-jarige opende hij zijn school voor lichaam en geest, de Kodokan: de plaats waar de waarheid verkondigd wordt.

Om de zachte weg te bewandelen bekwaamden de volgelingen van Kano zich volgens Spartaanse oefen- en leefwijzen. En nog altijd, sinds judo begin jaren vijftig in Europa populair werd, is een harde Japanse leerschool nodig om judo in optimale vorm te bedrijven. Mogelijk is er geen sport ter wereld waar trainingen zo uitputtend en meedogenloos zijn. Topjudoka's volgen stages aan Japanse scholen waar van het krieken van de dag tot de late avond tegen een peloton judoka's van verschillende maten en gewichten wordt gejudood. De Spartaanse leefwijzen zijn een beetje afgezwakt, maar nog altijd is een bezoek aan de Kodokan-tempel een stap op weg naar absolute kracht.

De eerste vreemdeling die zich in een Japanse judotempel onsterfelijk maakte was Anton Geesink. In Japan herinnert iedereen zich nog hoe op 23 oktober 1964 de kolossale bouwvakker in de Nippon-Budokan-hal van Tokio de Japanner Kaminaga na negen minuten in een houdgreep nam. Nog altijd buigen Japanners wanneer ze Geesink-san tegenkomen. Van die triomf was ook Samaranch, de huidige voorzitter van het IOC, getuige. Jaren later zou de Spanjaard Geesink vragen zich kandidaat te stellen als lid van het IOC.

Geesink mag zich tot de vernieuwers van het judo rekenen. Destijds in Tokio toonde hij nog zijn respect voor de ideologieën van Kano door na zijn triomf op Kaminaga de Hollandse losbollen die hem wilden omhelzen weg te sturen. Eerst dienden de judoka's immers de partij met een rituele buiging af te sluiten. Jaren later zou Geesink zich sterk maken deze rituelen af te schaffen. Wilde judo zich in de olympische wereld handhaven, dan diende judo zich volgens Westerse sportregels te gedragen. Geesink schreef boeken waarin hij modern judo aanprees en uitlegde hoe judo toegankelijker kon worden. Met de commerciële olympische idealen als beginsel en de televisie als medium was vergroting van de amusementswaarde noodzakelijk.

Na Geesink kwam tweevoudig olympisch winnaar Wim Ruska, een tegenpool van Geesink, maar even eigenzinnig. Ruska hoeft in Japan maar zijn overhemd los te knopen of de Japanners vallen in katzwijm bij het zien van zijn torso. De kalende broers Peter en Jan Snijders maakten diepe indruk met hun fabelachtige techniek en zo waren er nog een paar vreemde snuiters die Nederland als judonatie aanzien gaven. Tegenwoordig wordt judo vereenzelvigd met financiële malversaties, seksuele intimidatie en machtsspelletjes. In een sport die door zijn buitenissige uiterlijkheden moeilijk te doorgronden is, springen marginale sensaties snel in 't oog.

Zie hem schreeuwen, de bondscoach der vrouwen Cor van der Geest. De man met zijn ruime inborst wiens karakter botst met dat van de bondscoach der mannen Willem Visser, een ingetogen man die prijsstelt op discipline. Waar de een zijn medaillewinnaar vaderlijk knuffelt, slaat de ander zijn medaillewinnaar broederlijk op de schouders. Vreemde mensen die judomensen, maar niet vreemder dan andere mensen. Eindelijk schitteren ze weer door hun positieve uitstraling, Zoals Jigoro Kano het bedoelde.