De Duitse mensheid bestaat uit zeven groepen en 600 typen

Tentoonstelling: August Sander. T/m 1 sept. Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat 13, Amsterdam. Dag 11-19u.

Is het verbeelding of gedragen bezoekers zich op een fototentoonstelling werkelijk stiller dan op een expositie van schilderkunst? In de zalen van het Amsterdamse Stedelijk Museum waar het werk van de Duitse fotograaf August Sander (1876-1964) wordt getoond, was het redelijk vol maar je kon er een speld horen vallen. Het leek wel alsof iedereen op z'n tenen liep langs de eindeloze portrettengalerij. En fluisteren is nog een te groot woord voor de toonhoogte waarop sommige bezoekers elkaar attendeerden op een rustende hand of de stand van een wandelstok.

Waarschijnlijk komt het doordat de bijna tweehonderd personages die ons van de zwartwit foto's aankijken, stuk voor stuk zwijgen bij een hoogst ernstige gelaatsuitdrukking. Niemand lacht. Misschien dat de 'Jonge vrouw, 1929' uit de map 'De elegante vrouw', met haar flauwe glimlach een uitzondering is in die zee van ernst, maar werkelijk vrolijk kun je haar niet noemen. Op een portret van twee boksers ten voeten uit, ook uit 1929, probeert de kleinste te lachen door zijn mondhoeken op te trekken en zijn tanden te laten zien; het is een lachpoging die vastloopt in een grijns.

August Sander had zichzelf een zware taak opgelegd: met zijn fotografie wilde hij een zo objectief mogelijk beeld geven van de mensen uit de twintigste eeuw.De uitwerking van dit voornemen ging van start in 1911 in Keulen, de plaats waar hij vanaf 1910 tot aan zijn dood in 1964 zou blijven wonen en werken.

Door de rassentheorieën van de nazi's raakten begrippen als 'stam' en 'archetype' in de loop van de twintigste eeuw beladen, maar in 1911 waren zij nog onschuldig. Omstreeks die tijd begon mijnwerkerszoon en portretfotograaf August Sander in het Keulse Westerwald met de aanleg van een 'stammap' met archetypen als 'de aardgebondene mens', 'de filosoof', de 'aanvaller of revolutionair' en 'de wijze'.

Deze vier portretten aan het begin van de tentoonstelling doen de bezoeker al direct verzeild raken in een dubbelhartige manier van kijken. Hoewel je weet dat het onzin is, ga je toch eerst onderzoeken of de archetypen van Sander wel de juiste zijn. Het onderzoek is snel gedaan. De gegroefde koppen - drie van de vier hebben een grijze baard - kijken je indringend aan en overtuigen volkomen als achtereenvolgens: de aardgebonden mens, filosoof, aanvaller of revolutionair, en wijze. Je hoeft alleen maar in gedachten de onderschriften te verwisselen om vast te stellen hoe trefzeker Sander is geweest en kon zijn, want hij was de eerste die de titel bij het portret plaatste.

Hetzelfde geldt voor de portretten van de vier vrouwelijke pendanten die naast de mannen hangen. De vrouwen zijn nagenoeg identiek gekleed. Zij dragen alle vier een donkere hoofddoek, dus ben je voor de beoordeling uitsluitend op hun fysionomie aangewezen. En weer had de fotograaf het met zijn archetypische keuze bij het rechte eind. De filosofe (1913) heeft ontegenzeggelijk de gelaatstrekken en de oogopslag die bij een bejaarde, wijsgerig ingestelde vrouw passen. En door de felle, donkere ogen en de mond met neergetrokken hoeken verraadt 'de aanvalster of revolutionaire, 1912' haar onverzettelijk karakter. Maar wanneer je wakker wordt en bedenkt dat er ook aanvallende, revolutionaire vrouwen bestaan met een mooie rechte mond en zachtmoedige lichte ogen, besef je dat deze portretten - hoewel indrukwekkend om te zien - je op een eigenaardig dwaalspoor hebben gebracht.

Dan ligt een volgend kijkspel op de loer. De geportretteerde archetypen worden nauwkeurig bekeken en met elkaar vergeleken en zij zetten zich zo sterk in ons geheugen vast, dat wij het bij een tweede rondgang door de zalen zonder onderschrift kunnen stellen. Wie was ook weer die kale man, massief vierkant ingepakt in een driedelig kostuum met pochet, die ons met een flauwe glimlach, onuitstaanbaar zelfgenoegzaam, zat aan te kijken? Inderdaad 'Ondernemer, 1929'.

August Sander deelde de Duitse mensheid in volgens de door hem beleefde maatschappelijke orde en kwam tot zeven groepen. De eerste groep is 'de meest aardgebondene mens', de boer. In Groep 2 worden de handarbeiders geportretteerd. Groep 3 laat de vrouw in al haar sociale hoedanigheden zien, in het gezin maar ook 'in de geestelijke en praktische arbeid'. Groep 4 toont 'de standen', dat wil zeggen: de student, de geleerde, de arts en apotheker, de aristocraat, de zakenman, de politicus. Groep 5 is voor de kunstenaars en in Groep 6 wordt de grote stad geportretteerd met foto's van zwerversvolk, van de stadsjeugd, van 'de bedienden' en van 'de vervolgde' en 'de politieke gevangene'. In Groep 7 komen ten slotte 'De laatste mensen' aan bod: de idioten, de zieken en geesteszieken.

De portretten van de zeven groepen zijn ondergebracht in totaal 45 mappen met elk twaalf foto's. Een eerste deel van het omvangrijke project werd tentoongesteld in 1927 bij het Keulse kunstgenootschap. Met zestig types beschouwde Sander deze presentatie als een voorloper van het standaardwerk 'Gelaat van de tijd, mensen uit de 20ste eeuw' dat op den duur vijfhonderd à zeshonderd mensentypes moest bevatten. Zover is het nooit gekomen. In 1934 strandde de omvangrijke onderneming toen de portrettengalerij in boekvorm, getiteld 'Antlitz der Zeit', op bevel van de Duitse Rijkskamer voor Beeldende Kunsten uit de handel werd genomen en de drukplaten werden vernietigd. De fotoportretten lieten beelden zien van mensen die niet overeenkwamen met de ideale voorstellingen van de nazi's. Sander verlegde zijn aandacht van de mens naar de natuur, het landschap en de architectuur, gebieden die hem evenzeer tot verdiepte en verstilde kunstwerken inspireerden als het onderwerp 'de mens' eerder had gedaan.

In het Stedelijk Museum is ook een aantal van de natuur-, landschap- en architectuurfoto's te zien, maar de nadruk van de tentoonstelling ligt op de sociaal geordende portretten uit de periode die grofweg loopt vanaf de laatste regeringsjaren van de Duitse keizer Wilhelm II tot aan de machtsovername van de nationaal-socialisten in 1933. De totstandkoming van zijn grootse 'culturele werk' was voor August Sander louter een kwestie van 'zien, observeren en denken', zoals hij in een 'getuigenis voor de fotografie' naar aanleiding van de Keulse tentoonstelling in 1927 schreef. Hij voegde er aan toe: “Als ik nu als gezond mens zo onbescheiden ben de dingen zo te zien zoals ze zijn, en niet zoals ze zouden moeten of kunnen zijn, laat men het mij niet kwalijk nemen, maar ik kan niet anders. (-) De tentoonstelling bij het Keulse kunstgenootschap is het resultaat van mijn zoektocht, en ik hoop dat ik op de juiste weg ben. Ik vind niets hatelijker dan fotografie die door middel van trucjes, posen en effecten wordt verguld. Laat mij daarom op een eerlijke manier de waarheid zeggen over ons tijdperk en zijn mensen.”

Op een foto uit 1938 is August Sander te zien als een soort technicus met grijs haar en een bril 'In zijn laboratorium', zoals het onderschrift luidt. In een lange witte jas staat hij voor een aanrecht met ontwikkelbaden, omringd door muurkasten vol zorgvuldig gerangschikte flessen met chemicaliën. Het interieur lijkt op dat van een apotheek. Niets wijst erop dat hier iets kunstzinnigs wordt verricht; de foto die Sander in zijn hand heeft, kan net zo goed een portret zijn van een patiënt. Hoe toepasselijk is eigenlijk dit steriele beeld. In dit laboratorium creëerde Sander zijn archetypen in het geloof met zijn registrerende arbeid een groots sociaal cultureel werk te verrichten ten behoeve van de mensheid.

De Sander-collectie bestaat onmiskenbaar uit kunstwerken, uit weergaloze portretten, aoals dat van de weduwnaar met zijn twee zonen (1914) uit 'Map 15: Het gezin'. Het kale drietal geeft inderdaad de indruk op een verpletterende wijze aan zichzelf te zijn overgelaten. Het projectmatige fundament van de collectie van Sander, de registratie van archetypen op basis van uiterlijke kenmerken, maakt het lastig om de indrukwekkende foto's ondubbelzinnig te bewonderen. Maar meestal is het onderschrift zo algemeen dat het te ver gaat om Sander dubieuze praktijken in de schoenen te schuiven. Als je het portret van 'De apotheker' ziet, begrijp je dat niet alle apothekers zo'n neus, zulke wenkbrauwen en een dergelijke haarinplant hebben.

De enige afbeelding waarbij hij met zijn typeringsdrang in het onderschrift te ver is gegaan, luidt 'Onbetrouwbare advocaat, rond 1945'. Het portret is niet afkomstig uit een van de 45 mappen en er staat ook niet onder 'de' onbetrouwbare advocaat. Het portret doet vermoeden dat Sander een persoonlijke rekening had te vereffenen, hetgeen in 1945 en in Duitsland natuurlijk niet onmogelijk was. Maar de fotograaf heeft zich met dit portret en dit onderschrift het nodige op de hals gehaald. Want natuurlijk gaan wij als toeschouwer op zoek naar sporen van gluiperigheid in het gelaat van de onbetrouwbare advocaat. Duidt het enigszins dichtgknepen rechteroog niet op een huichelachtige natuur? En kijk eens naar dat vileine trekje om zijn mond en naar die grote spitse duivelsoren. Zo ziet een schurk eruit.