Brede scholengemeenschap is heel wat anders dan grote school

De laatste tijd wordt de brede scholengemeenschap weer behoorlijk bekritiseerd. Hoogtepunten zijn de negatieve uitspraken van minister Sorgdrager (Justitie) over de grootte van brede scholengemeenschappen en een hoofdartikel in deze krant (21 juni) waarin om een parlementaire enquête wordt verzocht en waarin gesproken wordt over “de fusiegolf in het middelbaar onderwijs waarbij kleine scholen werden gedwongen op te gaan in enorme scholengemeenschappen.

De gedachte dat deze leerfabrieken het onderwijs zouden verbeteren is inmiddels opgegeven''. Eerder werden soortgelijke uitspraken gedaan door de CDA'ers De Hoop Scheffer en Heerma.

Hoewel ik geenszins wil ontkennen dat er problemen zijn op brede scholengemeenschappen, behoeven deze uitspraken kritisch commentaar. Brede scholengemeenschappen voelen zich er goed door in de steek gelaten. Veel jeugdproblematiek speelt zich af in achterstandswijken en de meeste scholen in deze wijken zijn onderdeel van een brede scholengemeenschap. Maar terwijl vroeger deze problematiek geen onderwerp was voor de landelijke pers en de politiek, is zij dat nu wel en wordt zij gekoppeld aan het verschijnsel brede scholengemeenschap.

In deze wijze van redeneren wordt de logica omgedraaid: niet de problemen van de samenleving als geheel hebben op de een of andere wijze de jeugdproblematiek veroorzaakt, maar de scholen die zich intensief met deze problematiek bezighouden worden als oorzaak gezien. De grootte van de scholen maakt kinderen onherkenbaar en dat is er de oorzaak van dat zich de onveilige situaties voordoen die zo uitvoerig in de krant staan gemeld.

Laat ik twee zaken duidelijk stellen: brede scholen zijn niet groot maar brede scholengemeenschappen tellen wel veel leerlingen. Deze paradox laat zich als volgt verklaren. Brede scholen zijn op veel locaties gevestigd en het gemiddeld aantal leerlingen op een locatie is in het algemeen klein. Op mijn school bijvoorbeeld 370 leerlingen per locatie op een totaal van 2.000 leerlingen.

Brede scholen tellen veel leerlingen, omdat zij veel verschillende soorten onderwijs hebben. Een brede scholengemeenschap van een gymnasium tot en met een VBO met acht afdelingen (niet ongebruikelijk) behoort vergeleken met een gymnasium met 240 leerlingen (het absolute minimum) 2.160 leerlingen te hebben. Alleen omdat groepen samengevoegd kunnen worden, is het mogelijk dat het totaal aantal kleiner is. Veel VBO-afdelingen betekent dus automatisch veel leerlingen. Het grote aantal locaties zorgt er echter voor dat de leerlingen onderwijs genieten in een kleinschalige pedagogische omgeving.

Dit neemt overigens niet weg dat veel categoriale scholen wel bijzonder klein waren. Een goede opleidingsstructuur is met zo'n zeer kleine school niet te realiseren. Scholen onder de 240 leerlingen kunnen tegenwoordig niet meer als aparte scholen bestaan en dat betekent dat veel van deze scholen gefuseerd zijn. Kleine eenheden zijn echter ook met locaties van een iets grotere omvang te realiseren. Voor de docenten die een groot deel van hun leven op zo'n zeer kleine school hebben lesgegeven betekent de fusie echter wel een cultuurschok. Dat mag er niet toe leiden dat de maatschappij dit tot uitgangspunt neemt in haar beoordeling van brede scholen.

Wanneer Sorgdrager zegt dat kinderen in “kleine eenheden” moeten opgroeien dan trapt zij dus een open deur in. Zij hanteert wel een zeer gemakkelijke oplossing voor het vraagstuk van de jeugdproblematiek. Zij zet de Kamer voor schut die in de wet de mogelijkheid van meer locaties heeft gecreëerd en zij zet de scholen voor schut die veel energie hebben gestoken in het vormgeven van de nieuwe school. Staat hier de beste stuurvrouw aan de wal? Het hoofdartikel spreekt van 'leerfabrieken'. Dat roept bij mij associaties op met Brave New World. Denkt NRC Handelsblad werkelijk dat ouders hun kinderen naar dergelijke instituten sturen? Of dat een brede schoool met een dergelijk pedagogisch oog naar kinderen kijkt?

Iedereen snapt, veronderstel ik, dat het goed is dat er geen 'restonderwijs' is en dat de tweedeling in het onderwijs wordt voorkomen. Daarom is het voor mij zo onbegrijpelijk dat deze verhalen worden geventileerd. Mijn enige verklaring ligt in een structureel gebrek aan aandacht voor dit deel van het onderwijs. Alleen weerstand tegen een fusie bij een categoriaal gymnasium, bomberjacks of een vechtpartij lijken die aandacht te trekken.

Een ruime meerderheid van de leerlingen in het voortgezet onderwijs zit op een brede scholengemeenschap. Als de maatschappelijke acceptatie voor deze onderwijsorganisatie ontbreekt, dan betekent dit dat er een bom ligt onder het hele voortgezet onderwijs. Alleen een parlementaire enquête maakt het mogelijk de structurele aandacht te genereren die brede scholen nodig hebben. Dan kan duidelijk worden of de kritiek terecht is.

    • Jaap Westbroek