Vraag om pastorale hulp in den vreemde

Voorzover zij al religieus en kerkelijk zijn ingesteld, hebben de ongeveer vijfhonderdduizend Nederlanders die in het buitenland werken en wonen het in het algemeen niet gemakkelijk met hun geloofsleven. Vrijwel alles ontbreekt hen om daar iets aan te doen. Volgens de hervormde predikant Harry Gijsen is het tegenwoordig een groot vraagstuk hoe de christelijke identiteit in volstrekt andere cultuur te beleven en hoe daaraan vorm gegeven zou kunnen worden.

Daarom wordt er door Nederlanders in het buitenland vaak om pastorale bijstand en hulp uit het moederland gevraagd.

Dominee Gijsen (42) ging in 1989 in opdracht van de Gereformeerde Kerken naar Afrika. Eigenlijk was hij het liefst naar Rwanda gegaan, maar van hogerhand werd beslist dat het Zambia moest worden. Vijf jaar lang was hij predikant in dat land. Vaak in heel primitieve omstandigheden. Op een paar 'witte paters' na, zag hij praktisch geen landgenoten of Europeanen. “Ik zat daar midden in de bush”, zegt hij. “Van andere Nederlanders in het land merkte ik bijna nooit iets. Die zaten vooral in de hoofdstad Lusaka. Dus kon ik niet ook nog eens hun predikant zijn of de zielzorg voor die mensen op me nemen.”

Wie in het buitenland werkt en woont, lijdt volgens Gijsen meestal een nogal eenzaam leven, ook in geestelijk opzicht. Dat geldt niet alleen voor de vele mensen die op ambassades of in de ontwikkelingshulp werken, maar ook voor de werknemers van grote multinationale bedrijven, zoals Shell. Het leven in compounds (luxe kampementen voor Europese werknemers in Afrikaanse en Aziatische landen) waar de employées van zulke bedrijven wonen, noemt hij ronduit rampzalig en bijzonder geestdodend.

Onder de Nederlanders die in den vreemde voor baggerbedrijven werken, is van een dergelijke geestelijke armoede geen sprake, meent Gijsen. Vooral omdat baggeraars veelal uit heel christelijke streken komen en een streng-christelijke achtergrond hebben. Voor hen wordt veelal goed gezorgd door de Stichting pastorale werkers overzee (SPWO) en door predikanten die er door de baggerbedrijven, onder meer naar Hongkong, op uit worden gestuurd. Sinds Gijsen terug is uit Zambia is en zich als hervormd predikant in Soest heeft gevestigd, is hij nauw betrokken bij het werk van de Interkerkelijke commissie 'Kerk Overzee' van de Nederlandse zendingsraad, het samenwerkingsorgaan van Nederlandse kerkgenootschappen voor missionaire activiteiten.

Iedere twee maanden stuurt 'Kerk Overzee' haar gratis contactblad aan Nederlanders in het buitenland toe om onderlinge uitwisseling van ervaringen te stimuleren en contact te blijven houden met de kerken in het moederland. Het grootste deel van de postzending gaat naar Afrika waar de meeste Nederlanders zitten. Oorspronkelijk was het blad bestemd voor Nederlanders die na het onafhankelijk worden van Indonesië daar achterbleven.

Volgens Gijsen is de oplage van het blad ongeveer duizend nummers per keer en wordt het door de abonnees die elkaar meestal niet kennen gelezen, uitgeleend, meegenomen of gewoonweg in de prullenmand gedeponeerd.

Behalve het blad 'Kerk Overzee', organiseert de Nederlandse Zendingsraad sinds enige tijd ook 'pastorale reizen' naar het buitenland. Op deze manier wordt de pastorale zorg voor Nederlanders in het buitenland gekoppeld aan de internationale dienstreizen die door met grote regelmaat door kerkelijke medewerkers worden gemaakt. Ook zijn er buitenlandse conferenties en vergaderingen waar met de regelmaat van de klok Nederlandse theologen naar toe gaan. Van deze reizen kan gebruikt worden gemaakt om pastoraat uit te oefenen. Pastoraat moet dan niet alleen worden opgevat als 'erbij zijn' in moeilijke situaties, maar ook om mensen te helpen om op structureel niveau met zingevingsvragen bezig te zijn.

    • Frits Groeneveld