'Laatste kans' voor leraren op goede opleiding

ROTTERDAM, 22 JULI. Ir. W.C.M. van Lieshout (68) is gepokt en gemazeld in onderwijsland. De voormalige voorzitter van de VSNU, de Vereniging van samenwerkende Nederlandse universiteiten, en ex-voorzitter van het college van bestuur van de Katholieke Universiteit Nijmegen, doorspekt zijn betoog met jargon. Maar hij kan ook, van het ene moment op het andere en zonder omwegen, de puntjes op de i zetten.

“Wij zeggen: de minister heeft vooralsnog afgezien van fusies bij de lerarenopleidingen, en gij, schoolbesturen, gij weet allen dat de minister bevoegd is om in te grijpen.” Voor Van Lieshout is duidelijk “de laatste kans” aangebroken voor hogescholen om zelf door middel van verregaande vormen van samenwerking van hogerhand afgedwongen fusies af te wenden.

Als voorzitter van het 'Procesmanagement lerarenopleidingen' is Van Lieshout straks de hoofduitvoerder van het 'Plan van aanpak' dat hij vanmorgen aan de HBO-Raad heeft aangeboden. In een toelichting op het plan begint hij met de vaststelling dat dit project wordt uitgewerkt buiten verantwoordelijkheid van de minister van Onderwijs. Het lijkt bedoeld als een geruststelling voor al die schoolbesturen die een nieuwe golf van reorganisaties en fusies op zich af zien komen. Van Lieshout loopt lang genoeg mee om te beseffen dat hij voor een lastig karwei staat.

Niet voor niets is er een klankbordgroep gevormd die de uitwerking van het plan zal volgen, en daarna zullen ook de HBO-raad en de minister, ja ook hij, nog hun goedkeuring moeten geven. In het Plan van aanpak staat dat eventueel ook de Tweede Kamer zich er nog over zal kunnen uitspreken. Dat is wel heel merkwaardig, want het is ondenkbaar dat de Kamer zich die kans zal laten ontnemen.

Er wordt immers nogal wat overhoop gehaald. De veertig Pabo's moeten per regio in veel grotere verbanden samenwerken, en de tweedegraads lerarenopleidingen op de tien hogescholen dienen te zorgen voor een draagvlak van voldoende studenten per opleiding. Ook dat kan niet zonder enige vorm van schaalvergroting. De zo intens gekoesterde autonomie van menige school komt onvermijdelijk in botsing met de onaangename werkelijkheid.

Het vak van leraar is de laatste jaren duidelijk minder populair geworden. De beginnende leraar komt moeilijk aan de slag, omdat er nog veel wachtgelders zijn die voorgaan. De lerarenopleidingen merken dat meteen. Er komen ook studenten op af die wel in een bepaald vak zijn geïnteresseerd, maar die niet als eerste roeping 'de gelukkige klas' voor ogen hebben.

Zo kan het gebeuren dat er jaarklassen zijn van minder dan tien studenten per opleiding, en de schoolbesturen, geconfronteerd met deze versnippering, passen daarom allerlei kunstgrepen toe om die enkelingen toch nog een enigszins samenhangend studiepakket aan te bieden. Zo krijgen studenten gezondheidskunde, geschiedenis en economie op een hogeschool eenderde van de tijd gezamenlijk les.

Een visitatiecommissie onder leiding van mevrouw N. Ginjaar-Maas, eerder staatssecretaris van Onderwijs in de kabinetten Lubbers I en II (1982-1989), constateerde in een tussentijdse notitie in maart dit jaar een aantal euvels bij de tweedegraads lerarenopleidingen. Het gaat daarbij over de instroom van studenten (te geringe instroom, geen goede vooropleiding, niet passende motivatie), over de schaalgrootte van bepaalde vooral exacte opleidingen, het ontbreken van een beroepsprofiel, onvoldoende stageadressen, het rendement van de opleiding en de magere perspectieven op de arbeidsmarkt. En alsof dat nog niet genoeg is, volgen nog het knelpunt van de te kleine opleidingen en het probleem van de samengestelde studierichtingen.

Met zo'n diagnose zwart op wit staat het voor Van Lieshout vast dat alle betrokkenen nu wel zullen beseffen dat er snel iets moet gebeuren. “De leraar is de cruciale factor in het onderwijs. De kwaliteit van het onderwijs staat of valt met de kwaliteit van de man of vrouw voor de klas.” Van Lieshout is niet beducht voor een richtingenstrijd tussen scholen van verschillende denominaties. Ze kunnen in die nieuwe verbanden heel goed samenwerken op grond van goede afspraken, zo verwacht hij. Als bestuurder heeft Van Lieshout zelf al vaker met dit bijltje gehakt.

Om de lerarenopleidingen weer op het noodzakelijk geachte niveau te brengen van een landelijk herkenbare opleiding, wordt het curriculum voor 70 procent vastgelegd. In de Tweede Kamer is eerder gepleit voor een schriftelijk eindexamen en voor het aanleggen van een register met gekwalificeerde leraren, maar zo ver gaat dit plan niet. Van Lieshout acht het voldoende als er een accreditatie-organisatie is die de inhoud van de opleidingen controleert, en die zonodig aandringt op verbetering.

Het is verder de bedoeling dat ook de bijscholing en nascholing van leraren wordt ingebed in een nieuwe onderwijs-infrastructuur met tal van extra cursussen, stages en begeleid door een schare onderwijskundigen.

Als Van Lieshout geroutineerd uiteenzet wat daarbij allemaal nog komt kijken, is een verklarend, onderwijskundig handwoordenboek eigenlijk onmisbaar. Maar het einddoel staat hem duidelijk voor ogen: een 'bedrijfstak onderwijs' die in staat is zichzelf tijdig aan te passen aan de eisen van de tijd.

    • Koos Metselaar