'Ik roei nu veel meer op techniek'

Voor de Spelen in 1968 was de Duitser Jochen Meissner de grote favoriet. Hij had alle wedstrijden in de aanloop naar de olympiade gewonnen. Ik wist echter dat ik hem in Mexico zou verslaan en deed dat ook. Het is altijd heel moeilijk om als torenhoge favoriet aan een belangrijke wedstrijd te beginnen. Daar heb ik de Holland Acht ook voor gewaarschuwd.

Meissner was buitengewoon ontgoocheld nadat hij als tweede over de finish was gekomen, maar hij feliciteerde me wel meteen. Heel sportief, vooral als je bedenkt dat het tussen ons altijd haat en nijd was. Na de Spelen zijn we zelfs vrienden geworden, zo nu en dan zoeken we elkaar op voor een biertje. Het initiatief daartoe is destijs van hem uitgegaan. Je mag dus best zeggen dat de Spelen verbroederen.

Ik denk haast nooit meer aan die gouden race. M'n gouden plak zie ik ook haast nooit. Die ligt in een kluis van de bank. Uit voorzorg. Je hoort weleens verhalen van sporters waarvan de medaille gestolen is. Of van Ada Kok die 'm geloof ik in het water heeft laten vallen. Ik wil niet dat zoiets met mijn plak gebeurt. Maar laatst dacht ik: 'Moet ik 'm onderhand niet laten omsmelten?' Die plak doet me gewoon niet meer zo veel.

Ik roei nog altijd, 's zomers zo'n vier keer per week. Meestal in de skiff. Net als vroeger in mijn topjaren gewoon uit liefhebberij. Ik ben nooit echt fanatiek geweest, vond en vind het gewoon heerlijk om lekker in de buitenlucht te zijn. Vergeleken met destijds roei ik nu veel meer op techniek. Dat zie je wel meer bij oud-topsporters, dat techniek de plaats van kracht heeft ingenomen. Om te zien vind ik dat veel mooier dan dat krachtwerk. Neem Jan Jansen. Die zit nu ook beter op de fiets dan in z'n topjaren.