Gebreken

Een kleine ingreep, een routineoperatie. Tenslotte ben ik volgens de status niet erger dan 'een gezonde, wat snotterige, heldere man'. Tussen ons huis en het ziekenhuis ligt maar een paar honderd meter, hemelsbreed. Vanachter het raam zie ik mijn vrouw terugfietsen, inhouden bij de konijntjes die in de berm spelen, en de hoek omslaan. Ik ga aangekleed - het is nog geen negen uur 's avonds - op mijn bed liggen.

Op zaal tussen drie mannen die zo ziek of moe zijn dat ze mijn groet bij binnenkomst maar amper beantwoord hebben. Ik probeer wat te lezen maar mijn gedachten fietsen naar huis, en mijn ogen dwalen naar de slangen en infuzen die aan mijn buren verbonden zijn. Op pijnlijke plekken zo te zien, zwakke neuzen lijken mij hier een klein probleem. De oude man tegenover mij zucht en steunt en houdt zijn ogen gesloten. De man naast mij wordt alsmaar aangespoord om meer te drinken, want 'uw urine is net cola'. Met een vreemd accent brengt hij daar telkens tegenin dat de zakken vocht boven zijn hoofd het bloed wel op peil houden. In het westen zie ik de trein uit Parijs langzaam door het avondlicht glijden.

Als ik de volgende ochtend met bed en al wegrol naar de operatiekamer steekt de oude man tegenover me zijn duim op. Dan vindt het wonder plaats, ik verdwijn in de tijd, en het volgende ogenblik word ik alweer naar de zaal teruggereden. Dizzy en buiten adem door de tampons in mijn neusgaten luister ik naar de oude man die zich tegenover de verpleger verontschuldigt dat hij zich zijn pap moet laten voeren. “Nee, je bent niet lastig, je weet toch dat we het graag voor je doen.” 's Middags komt de arts me vertellen dat de operatie geslaagd is, en dat die tampons er over twee dagen uit mogen. De specialist van een andere buur heeft minder goed nieuws: “We hebben ons vergist, het wordt toch opereren. Omdat de ingreep nogal veel tijd kost durf ik niet te zeggen wanneer. Maar we mikken op vrijdag.” De man schikt zich schouderophalend; zijn stem, niet meer dan een gefluister, leent zich ook slecht tot protest. Gelukkig komt op het bezoekuur zijn dochter hem opzoeken, een pronte meid die als een zonnetje het zaaltje binnenstapt.

Ik vat moed en kleed me aan om naar buiten te gaan, naar het mooie weer. Als ik wat wankel door de gangen loop moet ik toch nog de pas inhouden voor een oude dame in kamerjas die achter een boos wegbenende heer aanloopt. Het beschaafd lijdelijke waarmee ze 'Hénk', 'Hénk' blijft roepen verklaart haar komst uit een kamer. 'Klasse' heet dat hier verrassend openhartig. Pas bij de lift haalt ze haar gegriefde echtgenoot in. Ik neem maar een volgende lift. En dan merk ik hoe gewoon gek is geworden. Een jongetje dat zelf nota bene als piraat is verkleed, staart met verbazing naar mijn verbonden neus, de hele reis lang. Zijn moeder probeert gegêneerd zijn aandacht op iets anders te vestigen. Grimmig bestel ik wat lekkers in het winkeltje in de hal. Naar adem en koek happend loop ik de ziekenhuistuin in.

Als ik terugkom op zaal is er een zieke bij gekomen. Hij laat zich door mijn buurman met het buitenlandse accent voorlichten over wanneer het licht uitgaat, wanneer de dokters komen en dergelijke, en geeft zelf ook wat inlichtingen: “Ach, opeens had ik wat pijn, en er schijnen in de plas wat stolsels te zitten, maar met een spoelinkje zal het wel weer opklaren.” Lijzig zegt de buurman dat dat aan de dokters is om te beoordelen. Hoe dat dan gaat, vraagt de nieuwkomer bangig. “Ze zullen toch niet opereren? Vroeger is er wat aan ingekort en daarmee was de kous af.” Dat was dan wel degelijk een operatie, verklaart op effen toon de stem waarin ik opeens het Duitse accent herken. Van hem, die zelf de verpleging trotseert bij de pogingen om hem tot drinken te bewegen, valt geen troost te verwachten.

De volgende dag word ik 's ochtends wakker door droevig gejammer: de overbuurman heeft in zijn bed gepoept. “Ik schaam me zo”, blijft hij herhalen. “Ach, dat krijg je van al dat vloeibare voedsel”, zegt de verpleger vriendelijk. Terwijl ik toekijk hoe hij handig het bed en de oude man verschoont, bevangt me opeens het angstige gevoel dat mijn voorland ook in zo'n bed ligt. Op een dag snotteren gezonde, heldere mannen niet omdat er een neusschotje scheef staat, maar omdat ze hun eten niet meer alleen naar binnen kunnen werken, en hun behoefte niet kunnen ophouden. Een kwestie van tijd, van leeftijd. Benauwdheid wint het van medeleven. Op mijn aandringen geeft de arts me even later toestemming om een dag eerder naar huis te gaan. Beschaamd loop ik langs de overbuurman de zaal uit. Ik steek mijn duim op en denk, ter verontschuldiging: “'t is maar voor even.”

    • Samuel de Lange