Een orgel is een wereld in zichzelf

Orgels bij de omroep in Nederland. Uitg. Strengholt, ƒ 69,90.

Cor Doesburg houdt zijn hart vast. Nu nog staat het concertorgel van de AVRO geheel intact in Studio 1, maar het wordt nooit meer gebruikt. Naar de joyeuze orgelmuziek die in de jaren dertig, veertig en vijftig door legendarische musici als Pierre Palla en Bernard Drukker, Cor Steyn en Johan Jong tot grote populariteit is gebracht, is volgens de omroep geen vraag meer. Bovendien wordt de eertijdse radiostudio nu per vierkante meter verhuurd als televisiestudio. Weliswaar zegt de AVRO te hechten aan het behoud van het orgel, maar wat gebeurt er als het ding steeds vaker in de weg staat? En hoe zal het gaan als het onderhoud een te hoge onkostenpost wordt? “Als de kassa gaat rinkelen, word ik bang”, zegt de gepensioneerde programmatechnicus. “Ik heb lang genoeg bij de omroep meegelopen om te weten dat er dan reden tot zorg is.”

Het in 1936 in gebruik genomen AVRO-orgel is het laatste van de populaire omroeporgels dat nog op zijn plaats staat en ieder moment zijn machtige stroom van klanken ten beste zou kunnen geven. De andere twee zijn allang uit Hilversum verdwenen: het orgel van de VARA is in 1972 verkocht, waarna het - via diverse andere adressen - uiteindelijk belandde in de kantine van het Centraal Bureau voor de Statistiek in Voorburg, en het orgel van de Nederlandse Radio Unie (de latere NOS) is in 1973 naar San Diego in Californië verscheept, waar het bestemd was om een pizza-restaurant mee op te sieren. Zo blijft er, meent Doesburg, weinig over van de cultuur-historische monumenten van de omroep.

In zijn studieuze Orgels bij de omroep in Nederland, een vuistdik boek met de allure van een proefschrift, heeft hij de geschiedenis van de eens zo trotse instrumenten neergelegd. Het verhaalt van de allereerste radio-uitzendingen, toen de microfoon werd geïnstalleerd bij bestaande orgels in kerken of bioscooptheaters, de gebrekkige klank die daarvan het gevolg was, en het groeiende verlangen van de omroepdirecties naar een eigen orgel, dat met optimale akoestiek en een veelzijdig register de eer en glorie van de betrokken omroepvereniging kon zingen. Vanzelfsprekend scheidden zich daarbij meteen al de wegen: de NCRV en de VPRO schaften zich in protestantse traditie een kerkorgel aan, de VARA haalde een amusementsorgel in huis, de AVRO kocht een kerk- èn een amusementsorgel, terwijl de KRO tussen die twee niet kon kiezen en nooit verder kwam dan een permanente lijnverbinding met de katholieke kerk aan de overkant van de straat.

Hoe prestigieus de aanschaf van een orgel in de hoogtijdagen van de verzuiling was, blijkt zonneklaar uit de vele omroepnotulen die Doesburg er op heeft nageslagen. Jarenlang is er soms over vergaderd, al was het maar omdat in brede kring - en niet in de laatste plaats bij de heren omroepbestuurders - grote argwaan bestond jegens de opzwepende ritmes van de nieuwe amusementsmuziek. Ook het maandblad Het Orgel van de Nederlandse Organisten Vereniging volgde de ontwikkelingen met angstige rechtlijnigheid. “Jammer, dat hij zijn groote bekwaamheid in zulke muziek ten beste gaf”, luidde het vernietigend oordeel over de virtuoze Pierre Palla, die na een klassieke opleiding voor het amusement had gekozen. En zelfs het NCRV-orgel, deels bekostigd uit de opbrengst van een collecte onder de leden en volstrekt vrij van wufte bedoelingen, werd aanvankelijk beknord om de aanwezigheid van 'kerkklokken, carillonklokken, harpgetokkel en dergelijk fraais'.

Ook bij de leden van de AVRO en de VARA, waar nu juist het vermaak vooropstond, werd gecollecteerd om de aankoop van het orgel mogelijk te maken. Zo ontving elke luistervink die bijdroeg aan het orgelfonds van de AVRO een 'fraaie gero-zilveren z.g. orgelplaquette'. Het eigen orgel klonk de achterbannen dan ook in de oren als de bevestiging van de draagwijdte van hun zuil. In het VARA-weekblad Radio stond in 1929 de ontroering beschreven waarmee men het eerste concert op het eigen orgel had ondergaan. Johan Jong, preludiërend op De Internationale, maakte volgens het verslag hoorbaar hoe “de idealen der arbeidersklasse hebben overwonnen, menschelijkheid, broederschap en vrijheid nemen bezit van de aarde”.

De organisten werden sterren. “De man die aan de speeltafel zit”, aldus de VARA-kalender van 1932, “kan je hart doen smelten door een mooi fluitmelodietje, hij toovert je in den maneschijn, laat je rozengeur snuiven, plots zit je weer bij een watervalletje, natuurgetrouw nagebootst door de harp, die zoo vernuftig in het orgel verborgen is. Hij kan een stormwind laten loeien en den regen kletteren, zoodat je het er zelfs bij de warme huiskachel koud en beroerd van krijgt. (-) Zoo'n orgel: het is een wereld in zichzelf en de man aan de speeltafel de albesturende macht.” Het Orgel schamperde daarop dat het intussen met de zuivere muziekbeoefening maar matig gesteld was; de grootste organist was in de ogen van het publiek immers de man “die al dien hokuspokus het best kan vertoonen.”

Nadat in de jaren vijftig het elektronische Hammond-orgel nog een belangrijke rol te vervullen kreeg in het radio-amusement (doorgaans als 'pijploos orgel', omdat het noemen van de fabrikantennaam Hammond reclame zou zijn) verschoof de muzikale smaak echter definitief naar andere genres. “De orgelmuziek is van the middle of the road afgeraakt”, beaamt Doesburg, “terwijl je er toch nog heel wat luisteraars een genoegen mee zou kunnen doen. Waarom niet één kwartiertje orgelmuziek per maand? Dan zou je in twee dagen genoeg kunnen opnemen om een heel jaar voorraad te hebben.”

Maar ach, wat doet de radio van tegenwoordig nog voor de oudere luisteraar? Niets, vindt Cor Doesburg. “Ze zeggen altijd: de jeugd heeft de toekomst. Maar waarom hoor ik op de radio alleen nog de muziek van de toekomst en nooit meer de lichte muziek van toen? De oudere mensen, die lid zijn van een omroep en ook keurig hun luister- en kijkgeld betalen, horen nooit meer iets terug van hun centen.” En zou van een omroepbestel dat zich dermate onverschillig betoont jegens het oude cultuurgoed kunnen worden verwacht dat het bijvoorbeeld nog tot in lengte van jaren de zorg op zich blijft nemen voor zo'n orgel? Hij vraagt het zich af. Het is maar goed dat hij er nu, althans in geschrifte, iets over heeft vastgelegd.