De vrede van Cruise O'Brien

Sinds het begin van dit jaar heeft burgermoed voor mij een naam en een gezicht. Die van een belangrijke Ierse schrijver-politicus. Hij is afkomstig uit een katholiek en nationalistisch milieu, en heeft zich ontwikkeld tot een levenslange tegenstander van de onderwerping van de protestantse minderheid in het noorden.

Dat was geen academische kwestie, sterker nog, deze stellingname heeft hij met aanzienlijke persoonlijke risico's verdedigd. En hij is die houding trouw gebleven, ook toen hij de afgelopen jaren steeds meer werd weggezet als een brommerige man van het verleden.

Conor Cruise O'Brien heb ik bezocht op een koude, winderige januariedag. Hij woont in Howth, even buiten Dublin, vanwaar je een fraai uitzicht hebt over Dublin Bay. Het waren de gloriedagen van het vredesproces, maar hij wist het zeker: de dag dat de IRA de wapenen weer op zou nemen is niet ver weg, het was een louter tactische adempauze. Een reeks bomaanslagen zou kort daarna zijn gelijk bevestigen.

Conor Cruise O'Brien is tot nog toe ontsnapt aan de Nederlandse gulzigheid om voor mij onbegrijpelijke redenen. Hier ten lande is hij vrijwel onbekend. Toch is Cruise O'Brien een belangrijke essayist en een fantastisch voorbeeld van iemand die in zijn lange leven de arbeidsdeling heeft getrotseerd: hoogleraar in New York, minister in de Ierse regering, VN-ambassadeur, hoodredacteur van The Observer en schrijver van een reeks boeken, met als hoogtepunt The Great Melody, zijn beschouwing over een andere grote Ier, Edmund Burke.

Vooral de dodelijke vermenging van God & Vaderland is een onderwerp dat hem bezighoudt. Dat is allereerst een familieaangelegenheid. Hij is afkomstig uit een milieu dat bol staat van de nationalistische retoriek. Zijn moeder stond model voor Miss Ivors in het verhaal The Dead van James Joyce: een fervente aanhangster van de Ierse taal. Zijn oom Frank Sheehy-Skeffington werd vermoord door Britse troepen tijdens de Easter Rising van 1916, de symbolische opstand tegen de Britse overheersing, die tot op de dag van vandaag door de Ierse nationalisten in de herinnering wordt wakker gehouden.

De lange schaduwen van deze familiegeschiedenis zijn in zijn werk terug te vinden. Altijd schrijft hij met warmte over zijn geboortegrond, maar nergens capituleert hij voor de loyaliteit die van hem wordt verwacht. Hij blijft het Ierse nationalisme - vooral de poging om Noord-Ierland in te lijven - met wantrouwen bejegenen.

Cruise O'Brien voelt zich aangetrokken tot schier onoplosbare, historische conflicten. Hij schrijft over Zuid-Afrika, Israel, Joegoslavië en natuurlijk Ierland. En hij trekt parallellen tussen de Servische minderheid in Kroatië en Bosnië en de protestantse minderheid in Ierland. Zoals de afscheiding van Ierland van Groot-Brittannië in 1921 een nieuwe afscheiding heeft opgeroepen, namelijk van Noord-Ierland, zo heeft de afscheiding van Bosnië, een nieuwe afscheiding opgeroepen van de Serviërs die niet in Bosnië willen leven. “What Northern Ireland represented was a secession from a secession.”

Dat is het wezenlijke probleem van elk succesvol nationalisme, het roept nieuwe minderheden op. Cruise O'Brien had al in een vroeg stadium, begin jaren zestig, sympathie voor de protestantse keuze om de band met Groot-Brittannië te behouden. Waarom zouden zij kiezen voor een afscheiding waardoor ze hun bescherming zouden verliezen?

Vandaar dat Cruise O'Brien doodsbenauwd is voor een geforceerde eenwording van Ierland. Al in 1963 schrijft hij: “Het aanvaarden van de deling is de beste manier om te werken aan de overwinning ervan”. Vrede is pas mogelijk als de deling van Ierland innerlijk wordt aanvaard als gegeven en niet wordt geprobeerd de protestantse gemeenschap te overrulen. Het vredesproces zoals dat nu gaande is, neigt in zijn ogen te zeer naar een bevrediging van het katholieke nationalisme. Deze druk zal nooit worden aanvaardt door de protestanten, en telt op bij al langer bestaande wrok en fanatisme, zoals deze dagen opnieuw is gebleken, en zo kan het vredesproces de opmaat worden van een echte burgeroorlog.

Het is goed die opvatting te doordenken, zeker ook in Nederland waar velen al smelten van sympathie bij het horen van het woord 'vrede' en 'vredesproces'. Gerry Adams en John Hume worden hier met alle egards ontvangen en krijgen vredesprijzen, omdat men zich geen voorstelling wenst te maken van hun verderliggende nationalistische doelstellingen.

Cruise O'Brien schrijft in Ancestral Voices, religion and nationalism in Ireland (1994): “Het algemene verlangen in Ierland en Groot-Britannië naar een einde van het politieke geweld is de belangrijkste troef van de IRA. Hoe meer men smacht naar vrede, des te afhankelijker men wordt van de geweldplegers, want die zijn de enigen die dat verlangen kunnen bevredigen”.

Het bezoek dat ik vorig jaar bracht aan het congres van de Ierse Labour Party, geleid door de minister van Buitenlandse Zaken Dick Spring, heeft me overtuigd van de gerechtvaardigde argwaan van Cruise O'Brien. Iedere gedelegeerde bekende zich desgevraagd tot het 'natuurlijke' doel: de eenheid van Ierland. En ook dat is begrijpelijk, want een gedeeld land, zeker een gedeeld eiland, heeft iets gekunstelds.

Ierland is het Polen van het Westen: een katholieke frontlijn, een bastion aan de rand van Europa, a crucified nation. Beide landen lijken op elkaar en tonen de mooie en treurige kanten van een romantische, gekwelde levenshouding. Ierland is óók de waarheid van de befaamde woorden van de Ierse dichter Yeats: “The best lack all conviction, while the worst are full of passionate intensity”. Yeats die zelf overigens alles deed om zich te vereenzelvigen met de nationale zaak rond de eeuwwisseling.

Wat men Cruise O'Brien kan verwijten is een overdaad aan historisch gemotiveerd pessimisme. Misschien weet hij wel te veel van Israel, Zuid-Afrika, Joegoslavië en Ierland wanneer hij schrijft: “Ik denk dat de taal van 'probleem' en 'oplossing' niet op dit geval van toepassing is. Waar we mee te maken hebben, is een conflict dat waarschijnlijk zal voortduren zolang Ierland een grote protestantse gemeenschap herbergt en een belangrijke en overtuigde minderheid van Ierse republikeinen kent die de katholieke gemeenschap in haar greep heeft”.

Het blijft een probleem: hoe kan men de historische diepte van een nationaal conflict serieus nemen, zonder erdoor verlamd te raken? En: dwingen situaties van burgeroorlog niet in de een of andere vorm tot onderhandelingen met de vertegenwoordigers van het geweld: Arafat, Milosevic, Adams?

Natuurlijk hoopt Cruise O'Brien op een compromis der gematigden, waardoor het terrorisme wordt buitengesloten. Hij volgt met wantrouwen het nationalisme der katholieken, dat heimelijk de “anti-imperialistische strijd” tegenover de IRA blijft bewonderen. Kenmerkend voor die houding is de ontkenning van een interne verdeeldheid in Noord-Ierland. Zo zei Adams onlangs: “De Britse regering heeft niet het recht om ons te veroordelen tot een permanent conflict en blijvende verdeeldheid”. Zo'n schuldtoedeling onthult veel.

Sinds die morgen in Howth kijk ik in ieder geval met andere ogen naar de helden van onze media: Gerry Adams en John Hume. Met veel meer scepsis volg ik hun mierzoete verklaringen over vrede in Ierland. Want het is goed om voortdurend achter de kleine stapjes waarover ze spreken, hun grote ideaal te zien: de vereniging van Ierland, als het moet ten koste van de protestantse minderheid.