Commissie-Ververs stopt ontmanteling omroepbestel niet

Het huidige omroepbestel staat op de helling. De commissie-Ververs deed onlangs aanbevelingen voor een publieke omroep nieuwe stijl. Een papieren tijger vindt E.J. Dommering, die het publieke bestel meer schaadt dan baat.

Nederland heeft zo lang als het omroepbestel bestaat een 'omroepkwestie', die alleen maar in omvang en ingewikkeldheid toeneemt. Waarnemers van omroepland hadden dan ook niet verwacht dat de commissie-Ververs deze kwestie uit de wereld zou helpen. Dat de commissie met haar voorstellen de kwestie ingewikkelder heeft gemaakt, kwam echter als een verrassing.

De omroepkwestie bestaat uit het feit dat te veel organisaties gezamenlijk de radio- en televisienetten moeten bedienen. Dit heeft een inefficiënte organisatie, onduidelijke programmering en interne concurrentie tussen de verschillende omroepinstellingen tot gevolg.

Maar bovenal is het probleem dat de legitimiteit van het verdelingsmechanisme voor de toewijzing van de zendtijd en de financiering uit publieke middelen in de lucht is komen te hangen. Het verzuilde stromingsmodel waar het op is gebaseerd, vertegenwoordigt immers niet meer een maatschappelijke realiteit.

De achterban van de omroepverenigingen bestaat uit abonnees op omroepbladen. Ook de besturen van de organisaties definiëren hun identiteit in termen van algemene omroepprogrammatische doelstellingen en niet langer in termen van aanhang. De juridische structuur van het bestel is dus geleidelijk ingehaald door de samenleving.

In een rationeel scenario zou het voor de hand hebben gelegen om de organisaties die hun legitimiteit ontlenen aan hun representatieve bestuurssamenstelling en de onverdachte publieke functies die zij vervullen, een centraler positie te geven. Dat waren de NOS, de educatieve omroepinstellingen, en kleinere instellingen zoals bijvoorbeeld de RVU en de Ikon.

Het tegendeel is gebeurd. Bij de invoering van de Mediawet in 1987 is niet alleen de kans op een drastische hervorming gemist, maar ook de NOS ondergeschikt gemaakt aan de belangen van de omroeporganisaties. Het antagonisme dat daardoor in de NOS werd ingebouwd heeft uiteindelijk geleid tot een splitsing van de NOS en de Nederlandse Programmastichting (NPS), niet omdat er een organisatorisch belang mee was gediend, maar omdat daardoor de stoelendans van de zendgemachtigden over de drie tv-netten tot een goed einde kon worden gebracht. En of dat einde zo goed was, valt te bezien. De kleine publieke zendgemachtigden werden geleidelijk aan naar de rand van het speelveld geduwd.

De commissie-Ververs geeft de genadeklap, gefixeerd als zij was op de omroepverenigingen. NOS en NPS worden opgeheven, en ingeruild voor een concerndirectie zonder onderneming die leiding gaat geven aan programma's aanleverende omroeporganisaties zonder produktie-apparaat.

Deze papieren tijger moet de publieke omroep nieuwe stijl gaan vormen. De kleine publieke zendgemachtigden worden opgeheven. En passant krijgt de Wereldomroep, ook al van onverdacht publieke huize, en een van de weinige organisaties in Hilversum die een drastische reorganisatie achter de rug hebben, van de commissie een veeg uit de pan.

De commissie meent de legitimiteit van het toewijzen van geld en zendtijd te hebben gevonden in een reeds lang geleden begraven gedachte: de omroepverkiezingen. Niemand die gelooft dat kijkers massaal zullen kiezen voor programma's waarvoor de publieke omroep in het leven was geroepen, zodat die programma's met de doem van de verkiezingen in het verschiet ook niet geproduceerd zullen worden. En waarom zouden belangrijke producenten zoals IDTV en Endemol niet mee mogen doen aan die verkiezingen?

De commissie had in een aantal varianten de vraag voorgelegd gekregen hoe de publieke omroep kon worden versterkt, wat haar taken in de nieuwe omgeving moesten zijn, en of daar drie televisienetten voor moesten worden ingezet. De commissie heeft terecht de vraag naar de legitimiteit van verdeling van zendtijd vooropgesteld.

Het is onontkoombaar het huidige stelsel te wijzigen. Om van zoveel organisaties naar een organisatie te gaan (het BBC-model) lijkt te hoog gegrepen, maar de vorming van een aantal publieke organisaties met ieder een netconcessie ligt iets dichterbij. Het ligt dan voor de hand om de organisaties die als publieke omroep naar bestuurssamenstelling en functie voldoende zijn gelegitimeerd onder een van die concessies te brengen. Dat zijn de NPS (aan wier taak de bij de NOS berustende programmataken kunnen worden toegevoegd) en niet-leden gebonden zendgemachtigden, waarvan het functioneren als publieke omroepinstelling eigenlijk nooit ter discussie heeft gestaan.

Daarbij zal wel moeten worden bekeken of distributievormen via de kabel voor een aantal van die functies niet een aanvaardbaar alternatief vormen. De politiek zou zich moeten afvragen of er voor dit soort organisaties niet meer ruimte op de kabel moet worden gereserveerd, in plaats van zich druk te maken over een basispakket voor de kabel waarin de buitenlandse publieke omroep is opgenomen.

De commissie zegt behartenswaardige dingen waarom er publieke omroep moet zijn, maar geeft geen duidelijk antwoord op de vraag hoe breed de taak moet zijn en hoeveel netten daarvoor nodig zijn. Het is afhankelijk van de beantwoording van die vraag of er naast die ene publieke concessie een of twee andere concessies aan publieke organisaties worden gegeven. Die organisaties kunnen worden gevormd uit de omroepverenigingen die daaraan willen meewerken.

Een nauwkeurig omschreven wettelijke taak (eventueel gecombineerd met een netprofiel), en een representatieve bestuurssamenstelling kunnen een toewijzing van zendtijd en geld rechtvaardigen. Dat is een operatie die ten koste gaat van de autonomie van de huidige omroepverenigingen, maar er is weinig keus.

Daarbij spelen bovendien economische overwegingen een rol. De publieke omroep is als geheel financieel in het nauw gedreven, al komt het bij de ene vereniging harder aan dan bij de andere. Het Centraal Planbureau heeft in een interessante studie een aantal scenario's geschilderd waarbij het twee-netten scenario er op de lange duur het beste afkomt. Ook de methodiek van de publieke financiering hangt hiermee samen: moet het een omroepbijdrage blijven of moet het een financiering uit algemene middelen worden?

Wat de taak van de publieke omroep moet zijn is de Europese vraag. Alle publieke omroepen in Europa worstelen ermee. Kan de publieke omroep nog, zoals zij gewend was, haar greep op het publiek behouden en de maat aangeven voor de publieke opinie in een democratische samenleving, of is haar taak die van het produceren van programma's die de markt niet zelf zal produceren?

Wat het zal worden is onzeker. Maar dat de Nederlandse overheid tot in lengte van jaren een veelvoud van zendtijdvergunningen met bijbehorende betaling kan uitgeven lijkt onwaarschijnlijk. De rapporten van de commissie en het Planbureau maken duidelijk dat verder uitstel over vijf jaar wel eens dramatische consequenties zou kunnen hebben.

    • E.J. Dommering