Zet een beloning op arrestatie van Mladic en Karadzic

Wie moet de Bosnisch-Servische leiders commandant Mladic en ex-president Karadzic, beiden verdacht van oorlogsmisdaden, aanhouden? Het Joegoslavië Tribunaal kan het niet en de NAVO wil het niet.

Recht zonder macht, vindt A. de Swaan, heeft hulp nodig.

Het Joegoslavië Tribunaal in Den Haag heeft een internationaal arrestatiebevel uitgevaardigd tegen Karadzic en Mladic op beschuldiging van oorlogsmisdaden. Omdat het Tribunaal niet over een eigen politiemacht beschikt, is meteen de vraag gerezen wie dan wel de beide verdachten moet aanhouden.

Het ligt voor de hand dat de krijgsmacht van de NAVO in Bosnië, IFOR, dat doet. Maar de bevelhebbers te velde maken een weinig enthousiaste indruk. De politieke leiding is zoals gebruikelijk verdeeld. De Amerikanen proberen het tweetal eerst uit hun beschermende omgeving los te wrikken, de Fransen maken aanstalten om de arrestatie door te zetten, de Engelsen hebben alle moed verloren en waarschijnlijk worden de twee verdachten in het geniep beschermd door Servië en Rusland.

Ondertussen wordt naar allerlei tussenoplossingen gezocht. Karadzic zou zich moeten terugtrekken als partijleider en zich verder buiten de verkiezingen houden. Dat is inderdaad wel het minste. De premier van Servië, Milosevic, (tegen wie ook een onderzoek loopt naar zijn medeplichtigheid aan de misdaden) zou zijn marionet moeten pressen om Bosnië te verlaten. Maar waar kan Karadzic nog heen? Elke lid-staat van de VN moet hem overdragen aan het Tribunaal. Of ze dat ook allemaal zullen doen, is de vraag. Het buurland Kroatië heeft alle belang bij een mislukking van de rechtsgang, want het herbergt zelf een zwerm oorlogsmisdadigers die het liever niet berecht wil zien.

Over de aanhouding van Mladic wordt helemaal niet meer hardop gesproken. Hij heeft zich verschanst in een militair kampement binnen een uitgebreid versterkt gebied. Toen kort geleden IFOR-troepen daar, zoals het vredesakkoord hun voorschrijft en hun opdracht hen verplicht, inspectie wilden houden, stuitten zij op Bosnisch-Servische soldaten en op een joelende en stenen werpende menigte. Die burgers zijn als verdedigingslinie minstens zo effectief als militairen. Met gewapende tegenstand kan het goed uitgeruste IFOR snel afrekenen, als daartoe ooit besloten zou worden. Maar een Westerse legermacht die inhakt op schreeuwers en stenengooiers, komt er in de wereldpers slecht op te staan. Toch zullen ze behoedzaam en vastberaden opzij gezet moeten worden.

Elke staat is verplicht uitvoering te geven aan het arrestatiebevel en de gezochten af te leveren bij het Tribunaal. Maar geen staat is verplicht ze te gaan halen. De vraag is welke instanties daartoe eigenlijk gerechtigd zijn. De troepen van het IFOR zijn bevoegd om ze aan te houden, maar niet verplicht om ze op te sporen. Zo ongeveer staat het in hun taakomschrijving.

Maar hebben andere instanties het recht de verdachten te arresteren? En wat gebeurt er als de aanhouding wederrechtelijk is? Het Tribunaal is zelf bevoegd om te beslissen of de verdachten terecht kunnen staan, ook al zou de wijze waarop ze zijn voorgeleid onrechtmatig zijn. Er zijn nogal wat precedenten waarbij de aanhouding van een verdachte onrechtmatig of in elk geval omstreden was en toch gevolgd werd door een proces: Eichmann, ontvoerd uit Argentinië, stond terecht in Israël; Noriega, door Amerikaanse troepen in Panama gearresteerd, kreeg een proces in de VS. Maar in deze gevallen en nog andere ging het om een staat die de verdachte buiten het eigen rechtsgebied te pakken wist te krijgen en hem vervolgens in eigen land berechtte. Het rechtsgebied van het VN-Tribunaal is de gehele wereld. Maar nergens beschikt dat Tribunaal over een politiemacht.

Zulk recht zonder macht heeft hulp nodig. Daar bestaat van oudsher een oplossing voor: een beloning wordt uitgeloofd voor degeen die de verdachten aanhoudt en opbrengt. Wie erin slaagt Mladic of Karadzic af te leveren bij het Tribunaal of bij het bevoegd gezag van een der lidstaten van de VN krijgt het uitgeloofde bedrag uitgekeerd.

Al is hun verblijfplaats bekend, deze verdachten zijn bijzonder moeilijk te vangen. Het gaat bovendien om buitensporig ernstige misdaden. Dus zijn uitzonderlijk hoge bedragen gepast. Er is zeker een miljoen dollar nodig, waarschijnlijk wel vijf miljoen, of tien miljoen. Dat lijkt veel, maar het is gauw volgestort. Als het eerste miljoen dollars is toegezegd door onafhankelijke particulieren, ligt een legitieme dekmantel over de volgende stortingen van veel grotere bedragen door veel vermogender vijanden van Mladic en Karadzic.

Maar aangenomen dat de beloning bij elkaar gebracht wordt, dat wil zeggen dat de vereiste bedragen zijn toegezegd, wie moet het karwei dan klaren? We moeten hopen en we mogen ook wel rekenen op verraad in de omgeving van de verdachten zelf. Er lopen daar heel wat profiteurs rond die door zoveel geld in verzoeking zullen raken en er zijn nogal wat Bosnisch-Servische politici die het belastend tweetal graag kwijt zouden zijn.

Om misverstand te voorkomen: de beloning voor de arrestatie van Mladic en Karadzic is precies het tegendeel van de prijs die na de fatwa door de Iraanse leiders op het hoofd van Rushdie is gezet. Daar ging het erom iemand die geen mens een haar had gekrenkt zonder enige vorm van proces te vermoorden. Hier gaat het erom verdachten van een massamoord zonder bloedvergieten voor hun rechters te brengen die hen op zijn hoogst tot gevangenisstraf zullen veroordelen.

En bovendien, aan de uitbetaling van de beloning kan de voorwaarde verbonden worden dat de aanhouding niemand schaadt die zich er niet tegen verzet (er zijn striktere of ruimere eisen te bedenken).

Maar wie moet het geld, of de toezeggingen, inzamelen en wie moet beslissen of er wordt uitbetaald en aan wie? Daar is nu geen instantie voor. Geen internationale organisatie houdt zich speciaal bezig met de vervolging van oorlogsmisdaden die na 1945 zijn begaan. Er is een internationale organisatie die opkomt voor de slachtoffers: Amnesty International. Maar er is geen tegenhanger die zich inzet voor de bestraffing van hun beulen: Justice International.

En toch is dat evenzeer noodzakelijk.

De bestraffing van oorlogsmisdadigers is allereerst een zaak van gerechtigheid en dus een doel op zich. Maar de vervolging en berechting van die misdaden dient ook een ander doel, de verzoening tussen de partijen die elkaar in oorlog of burgeroorlog bestreden hebben. Niet alleen in Bosnië, ook in Somalië, Cambodja, Zuid-Afrika en Rwanda is enige vorm van rechtspleging noodzakelijk. Wat daar aangericht is, kan niet zomaar vergeten en vergeven worden. Alleen in Zuid-Afrika lijkt er iets van terecht te komen; in Cambodja moet het eerste begin nog gemaakt worden. In al die landen en nog vele andere heeft de rechtspleging steun en advies van buiten nodig. Dat zou de taak zijn van Justice International.

Het komt de politici in binnen- en buitenland niet steeds gelegen. Er is altijd een menigte van hele en halve meelopers, handlangers en profiteurs die niet bij opheldering gebaat is. Er zijn telkens weer instanties die de misdadigers nog ergens voor gebruiken kunnen en die hen de hand boven het hoofd houden. Tegen al die weerstanden in moet de rechtsgang worden doorgezet.

Mahmood Mamdani, de Oegandese politicoloog, die zelf jarenlang in ballingschap verbleef, schrijft over de situatie in Rwanda (New Left Review, 216, 1996): “Berechting komt niet in de plaats van verzoening, maar in de plaats van wraak. Daarom kan zonder berechting geen verzoening volgen.”

Natuurlijk is de functie van een beloning voor de arrestatie van Mladic en Karadzic in de eerste plaats symbolisch. De politici kunnen de moed maar niet opbrengen om het tweetal te laten aanhouden. Ze vrezen dat de publieke opinie zich tegen hen zal keren als de actie misloopt, als er bloed vergoten wordt, en bovenal, als er slachtoffers vallen onder de eigen soldaten. Maar als op die beloning op ruime schaal wordt ingetekend, blijkt daaruit ontegenzeggelijk dat een groot deel van het publiek wil dat het recht zijn loop krijgt.

Die beloning is niets meer of minder dan een aansporing aan wie dan ook om het erop te wagen en de twee verdachten te arresteren. Dat alleen al kan weer aanleiding zijn voor de politici om zich te vermannen en in te grijpen, voordat ze door zelfstandig opererende prijzenjagers te schande worden gemaakt.

Dat zijn de kleine berekeningen van kans en macht. Maar in wezen gaat het om een veel grotere inzet. Voor het eerst sinds de geallieerde Tribunalen van Neurenberg en Tokio hebben de Verenigde Naties Tribunalen voor misdaden tegen de menselijkheid ingesteld: in Arusha voor Rwanda en in Den Haag voor Joegoslavië. De leden van het Joegoslavië Tribunaal hebben zich beter geweerd dan verwacht. Na een jaar van vooronderzoek en juridisch beraad hebben ze de meest vèrstrekkende aanklacht geformuleerd, en het zwaarste middel aangegrepen dat hun ter beschikking staat, het internationaal arrestatiebevel.

Het gaat daarbij niet alleen om deze twee verdachten en zelfs niet enkel om de vijfenzeventig andere gedaagden of om hun honderden beulsknechten. De inzet is de vestiging van een internationale strafrechtsorde. Het heeft na de overwinning van 1945 vijftig jaar geduurd voor de VN het opnieuw aandurfden om recht te doen in misdaden tegen de menselijkheid. Als daar nu door getreuzel en gedraai niets van terecht komt, kan het nog eens een halve eeuw duren voor het opnieuw wordt geprobeerd. Maar als de berechting wel slaagt, moeten ook de ergste misdadigers, de misdadigers tegen de menselijkheid, voortaan bestraffing vrezen.

    • A. de Swaan
    • Medewerker van Nrc Handelsblad