Weissmuller en Spitz maakten zwemmen tot grote sport op Spelen; Zwempaleis ideaal voor records

Zwemmen is één van de drie grote sporten op de Olympische Spelen. In 1896 werd onder Spartaanse omstandigheden om medailles gestreden, in Atlanta wacht de deelnemers een zwempaleis.

Het Georgia Tech Aquatic Center in Atlanta, waar door mannen en vrouwen om 32 gouden medailles wordt gestreden, is het modernste zwempaleis in de honderdjarige geschiedenis van de Olympische Spelen. Het diepe bad, met een vernuftig systeem van baanafscheidingen en goten om de golfslag te dempen, lijkt ideaal voor snelle tijden.

In 1896, bij de eerste Spelen in Athene, waren de omstandigheden voor de zwemmers beduidend minder. Bij Piraeus, in het 'open' water van de Baai van Zea, streden de zwemmers in ijskoud water om de ereplaatsen. Vier jaar later was de rivier de Marne het toneel van de zwemwedstrijden. In Parijs zwommen de olympiërs stroomafwaarts, wat zeer snelle tijden tot gevolg had. Johannes Drost was er met brons op de 200 meter rugslag de eerste Nederlander die bij het zwemmen in de prijzen viel. Bij de 200 meter hinderniszwemmen klommen de deelnemers over een stang en een rij boten om vervolgens onder enkele boten door te zwemmen.

In 1904 in St. Louis doken de zwemmers vanaf een steiger in een grote vijver. Een opmerkelijk onderdeel in St. Louis was het onderwaterzwemmen. Londen (1908) kende het eerste olympische wedstrijdbad. Het bad was aangelegd in het White City stadion en omgeven door een atletiekbaan. Tijdens deze Spelen werd de internationale zwemfederatie opgericht. Vanaf dat moment werd de zwemsport beter georganiseerd én populairder. In 1912 in Stockholm mochten mede daardoor voor het eerst vrouwen het olympisch bad in, op de 100 meter vrije slag. In die discipline - het koningsnummer van de zwemsport - excelleerden in de olympische geschiedenis de Nederlandse zwemsters Willemijntje den Ouden (zilver, 1932), Rie Mastenbroek (1936, goud), Marie-Louise Vaessen (brons, 1948), Johanna Termeulen (1952, zilver), Enith Brigitha (1976, brons) en Annamarie Verstappen (1984, brons).

De meeste olympische zwemonderdelen voor vrouwen werden pas in de jaren zestig geïntroduceerd. In 1968 in Mexico was Ada Kok de eerste winnares op de 200 meter vlinderslag. De 50 vrije slag wordt pas sinds 1988 gezwommen.

Voor de Spelen in Antwerpen (1920) werd in een gracht een nautisch stadion gebouwd. Eén van de vrouwen die een duik namen in het ijskoude water, was Rie Beisenherz. Zij schreef geschiedenis omdat ze de eerste Nederlandse vrouw was die aan de olympiade meedeed. Vlak voor vertrek uit Nederland kreeg ze van bondsbestuurders een retourtje derde klasse naar Antwerpen en 12,50 in de hand gedrukt. Een begeleider had ze niet; vader Beisenherz ging mee. In Antwerpen kon ze op een boot logeren waar ook het Nederlands voetbalteam sliep. Omdat ze het enige meisje aan boord was, sloeg ze dat aanbod af. Veel zwemtechniek had ze niet. Op het startblok stond ze rechtop. Toen ze collega's door de knieën zag gaan, volgde ze hun voorbeeld. Zonder succes: Beisenherz kwam niet verder dan de series.

Toen de Spelen in 1924 na twintig jaar in Parijs terugkwamen, stond daar inmiddels ook een nieuw bad met tribunes voor 10.000 toeschouwers. Johnny Weismuller is in Parijs de eerste olympische zwemmer die, met 59,0 seconden op de 100 meter vrije slag, onder de minuut blijft. In Amsterdam (1928) was eveneens een speciaal aangelegd zwembad. Het bassin werd na afloop van de Spelen wegens constructiefouten gesloopt. Weg was het bad van 170.000 gulden.

Ook in Los Angeles (1932) verrees een nieuw zwemcomplex. Nederland had hoge verwachtingen van Maria Braun, maar ze werd geveld door een mysterieuze steek van een insect. Zij hield het er op dat zij was uitgeschakeld door handlangers van haar concurrente Eleanor Holm, die bij het behalen van goud een carrière in Hollywood te wachten stond. De Nederlandse eer werd gered door Willy den Ouden, die zilver won op de 100 meter vrije slag én de estafette op die afstand.

De Amerikaanse Holm won in Los Angeles de 100 meter rugslag en ging vier jaar later in Berlijn opnieuw voor goud. Behalve olympisch kampioene was ze op dat moment actrice en nachtclubzangeres. De extravagante zwemster deed in Duitsland uitsluitend buiten het zwembad stof opwaaien. Toen de USS Manhattan in Hamburg aanmeerde, liet de voorzitter van het Amerikaanse olympisch comité weten dat ze uit de ploeg werd gezet wegens het onderbreken van de training aan boord. De oversteek was voor de zwemster één grote party. “Ik heb op champagne en kaviaar getraind”, gaf Holm toe.

Waar de Amerikaan Johnny Weismuller (Tarzan) voor de Tweede Wereldoorlog als een van de meest legendarische zwemmers de boeken inging, was het daarna zijn landgenoot Mark Spitz die zwemgeschiedenis schreef. Op de Spelen in München (1972) won hij zeven gouden medailles. Die prestatie leverde hem de eretitel 'beste zwemmer aller tijden' op.

Nederlandse deelnemers - en dan de vooral de vrouwen - zijn in de geschiedenis van het olympische zwemmen altijd redelijk succesvol geweest, vooral in vergelijking met andere sporten. In geen andere sport won Nederland zoveel medailles als bij het zwemmen (zie graphic). De laatste olympische medaille werd gewonnen in 1988, zilver op de 4x100 meter vrije slag voor vrouwen. In die discipline behoort Nederland in het snelle Georgia Tech Aquatic Center opnieuw tot de medaille-kandidaten.