Vaders vleespotten

Een lezer worstelt met enkele dilemma's. “Wij wonen in een huurhuis en bezitten een pand dat verhuurd is aan derden. Dat levert ons per jaar bijna 20.000 gulden huur op. Die moet ik bij mijn (ruime) inkomen optellen. Gelukkig kan ik die bijtelling nog drie jaar compenseren met wat aftrekposten voor onderhoud.

Daarna, precies als ik eerder stop met werken, in de vut ga en een kwart minder inkomen heb, moet ik het volle (60 procent) belastingpond over die huur betalen.''

De briefschrijver zoekt naar wegen om de belasting te ontwijken. Hij overweegt het vruchtgebruik (de huur) van het huis straks aan zijn vier minderjarige kinderen te schenken om hun studie te financieren. Of de woning aan de vier over te doen. Die oplossingen bieden weinig of geen soelaas, omdat de inkomsten uit vermogen (hier: huur) van minderjarigen als regel bij de ouders belast worden. Tenzij men kiest voor een fiscale constructie die dat omzeilt. Die oplossing past echter niet in deze rubriek: te technisch. Bovendien gaat het om een gering huurbedrag.

Is er een alternatief, vraagt de lezer. Ja, maar eerst moet hij twee zaken uit elkaar halen. De bezorgde vader wil allereerst straks circa 10.000 gulden inkomstenbelasting per jaar ontwijken èn ten tweede bijdragen aan de studie van zijn zoons en dochters. Dat zijn problemen die verschillende oplossingen vereisen.

Het belastingprobleem vraagt zo op het oog enkele notariële akten en een fiscaal advies, waarvan het effect per saldo mogelijk gering is. Bij nader inzien zit er echter veel meer aan vast: hoe verdeel je dat huis of het vruchtgebruik onder de vier? Allen evenveel, de oudste die als eerste gaat studeren meer of de jongste van vijf voorlopig niets? Wat een gedoe waar die 'arme' ouders mee opgescheept worden en blijven tot iedereen de deur uit is. Kunnen de meerderjarige kinderen vanaf dat moment zelfstandig de zorg voor hun bron van inkomsten op zich nemen, zonder te ruziën over ieders inbreng en inspanningen? Loopt het vruchtgebruik levenslang door of stopt het als iemand niet meer studeert? Wie bepaalt en hoe of een gebruiker is gestopt met studeren?

De studiefinanciering oogt eenvoudiger. Vader en moeder leggen een potje aan, houden dat onder zich en spekken daar hun studenten mee. Om dat te realiseren moeten ze de verhuurde woning over een paar jaar van de hand doen. Dat levert volgens de briefschrijver 300.000 gulden op. Daarmee moeten ze nog een jaar of twintig hun nageslacht helpen. Beide echtelieden zijn dan 74 jaar. Ze mogen de reserve natuurlijk ook gebruiken om hun pensioen aan te vullen. Of er een lange wereldreis van maken, volgens het gezonde principe: wij eerst en daarna de kinderen. Dat is veel eenvoudiger dan zo'n ingewikkeld plan met bloot eigendom, vruchtgebruik, verkoop aan de kinderen, onderhoud, lastige huurders die niet op tijd willen betalen. Heus: eenvoud loont.

Een mooi afgeronde oplossing? Nee, er hangen nog rafels aan. Die drie ton, bijvoorbeeld belegd in effecten, leveren rente en/of dividend op. Die inkomsten zijn belastbaar, maar er gelden voor rente en dividend vrijstellingen. Dat verzacht het leed wat. Bovendien kan men beleggen in bedrijven die weinig dividend of een belastingvrij (stock)dividend uitkeren.

Een tweede rafel betreft de beschikkingsmacht over de studiepot: die hebben de ouders. De nakomelingen moeten hun honger dus tot in lengte van jaren stillen uit de ouderlijke vleespotten. In plaats van klagende huurders aan de deur, zit je als ouder opgescheept met om geld zeurende kinderen. Daarom is die grote pot in beheer van de ouders financieel/pedagogisch gezien een zwakke opzet. Het moet anders. Zo bijvoorbeeld.

Op de dag dat een kind meerderjarig wordt schenken de ouders het een eigen vleespotje ter grootte van, bijvoorbeeld, de van schenkingsrecht vrijgestelde maximale schenking - 39.119 gulden in 1996. Ongeacht of hij wel of niet studeert. In de vier jaren daarna (of langer) krijgt hij de maximale onbelaste schenking van (in 1996) 7.823 gulden. De ontvanger moet dit geld zelfstandig beheren en niet gemakzuchtig terugvallen op zijn ouders. De gevolgen voor studiefinanciering komen hier niet verder aan de orde.

Er ontbreekt een cruciaal punt in benadering: waarin moeten ouders en meerderjarige kinderen in beleggen? Daarvoor moeten ouders samen met een adviseur een plan opstellen. De uitgangspunten zijn helder: er is over twee tot drie jaar 300.000 gulden beschikbaar en op vier nu al bekende tijdstippen in de toekomst moet er circa ƒ 40.000 worden geschonken, eenmalig. En daarnaast jaarlijkse schenkingen van circa ƒ 8.000 per kind. Het plan voor de kinderen kent andere uitgangspunten en doeleinden. De briefschrijver moet eerst zelf een plannetje maken voor hij naar een beleggingsadviseur stapt.

    • Adriaan Hiele