Rechter eist van Borst convenant prijzen medicijn

DEN HAAG, 20 JULI. Minister Borst (Volksgezondheid) is verplicht om samen met de meest betrokken partijen in de geneesmiddelensector krachtig te werken aan de totstandkoming van een convenant voor lagere prijzen. Dit moet er toe leiden dat de Wet Geneesmiddelenprijzen, die 1 juni in werking trad, zo snel mogelijk weer buiten werking kan worden gesteld.

Dat heeft de president van de rechtbank in Den Haag gisteren bepaald in een procedure die was aangespannen door de medicijnengroothandel OPG en zijn dochters Pharmachemie (fabrikant van merkloze geneesmiddelen) en Polyfarma (parallelimport) en het bedrijf Dumex (ook fabrikant van merkloze geneesmiddelen). De zaak werd twee weken geleden in verband met het mogelijk naar buiten komen van bedrijfsgevoelige informatie goeddeels achter gesloten deuren gevoerd. Het is de eerste uitspraak in een reeks procedures die is aangespannen tegen deze wet. In de eis van de vier bedrijven, die werden bijgestaan door de Utrechtse advocaat mevrouw mr. C.J.R.A. Schoonderbeek, om de wet voorlopig te schorsen wilde de president niet meegaan, maar hij zegt wel dat het geschil binnen een half jaar opnieuw aan hem kan worden voorgelegd als de minister de wet voor een tweede termijn van zes maanden wil laten gelden en niet duidelijk heeft gestreefd naar een 'arrangement' met die partijen die het meest worden getroffen door de wet. De raadsvrouw karakteriseert de uitspraak als een 'Salomonsoordeel'.

Met de Wet Geneesmiddelenprijzen dwingt de bewindsvrouw de fabrikanten van geneesmiddelen om hun prijzen met gemiddeld twintig procent te laten dalen. Ook de groothandel wordt daardoor getroffen, omdat die werkt met een procentuele marge op de prijzen die de fabrikant rekent. De wet bepaalt dat de prijzen in Nederland niet hoger mogen zijn dan het gemiddelde van de prijzen die in Duitsland, Frankrijk, België en het Verenigd Koninkrijk worden berekend.

Pagina 15: Rechter wil convenant

Met name producenten van merkloze geneesmiddelen en importeurs van medicijnen uit andere, goedkopere Europese lidstaten stellen dat de wet 'hun belangen zodanig treft dat hun voortbestaan op het spel is komen te staan'. Doordat de prijzen van merkgeneesmiddelen - gedwongen door de wet - sinds 1 juni fors zijn gedaald blijkt er in de praktijk weinig stimulans meer te zijn voor de apotheker om generieke of parallel geimporteerde middelen af te leveren. De partijen hebben voor de rechtbank echter niet voldoende duidelijk kunnen maken dat hun bestaan acuut in het geding is en die kwestie moet dus worden beoordeeld in een zogeheten bodemprocedure. Bovendien kunnen zij zich later eventueel beroepen op de mogelijkheid tot schadevergoeding. Een latere beoordeling geldt ook voor de vraag of het Nederlandse besluit zich verdraagt met de Europese wet- en regelgeving.

Wel acht de rechtbank de minister meer gehouden aan haar plicht om halfjaarlijks te bezien of er inmiddels een alternatief is voor de wet dan in de wet zelf is geformuleerd. De wet zegt dat ze 'de regeling kan wijzigen' als er een goed alternatief is, de president vindt dat ze dat in zo'n geval moet. Hij is die mening toegedaan op grond van wat de Eerste en Tweede Kamer hebben gezegd over de wet, die overigens door mevrouw Borst zelf 'een monstrum' is genoemd.

De minister moet tot dat convenant of arrangement zien te komen met de bond van groothandelaren (BG Pharma), de bond van producenten van generieke medicijnen (Bogin), de vereniging van parallelimporteurs (VES) en de innovatieve geneesmiddelenindustrie (Nefarma). Die partijen hebben eerder dit jaar door een commissie van drie professoren, onder voorzitterschap van professor dr. A. van der Zwan, een voorstel uit laten werken, maar dat voorzag volgens de Ziekenfondsraad in een bezuiniging van niet meer dan 390 miljoen gulden, terwijl de minister volgens het regeerakkoord aan 550 miljoen gulden moet komen, oplopend tot 700 miljoen gulden op jaarbasis.

    • Bram Pols