Kunstsmokkel

DE DOUANE heeft in de Rotterdamse haven zeldzame kunstvoorwerpen uit Ghana, waaronder delen van een koningsservies, onderschept. De afgelopen herfst gebeurde dat ook al met archeologische objecten uit Cambodja, deels afkomstig van de internationaal beschermde monumenten van Angkor Wat. In beide gevallen wezen alle tekenen erop dat het ging om kunstsmokkel. Dat is, met name voor de Derde wereld, een ware plaag.

Als handelsnatie heeft Nederland op dit punt internationaal een slechte naam, concludeerde het Kamerlid Verspaget (PvdA) bij het jongste begrotingsdebat over ontwikkelingssamenwerking. Zij wees op de omstandigheid dat ons land heeft nagelaten een conventie van de UNESCO over illegaal cultuurbezit uit de jaren zeventig te ondertekenen.

Er dient zich een herkansingsmogelijkheid aan. Vorige zomer werd in Rome het zogeheten Unidroit-verdrag afgerond. Dit moet de gaten dichten die de eerdere UNESCO-conventie onmiskenbaar heeft laten vallen. Het is slechts door een handjevol handelsnaties aanvaard. Ook op de Romeinse conferentie van vorig jaar liep het trouwens niet storm; er namen weliswaar tachtig staten aan deel maar slechts een minderheid ging daadwerkelijk over tot ondertekening van het Unidroit-verdrag.

DE TWEEDE KAMER ging in elk geval zonder veel discussie akkoord met een motie waarin Verspaget samen met haar collega Roethof (D66) aandrong op spoedige ratificatie van het Unidroit-verdrag. Eind vorige maand maakte het kabinet bij monde van minister Sorgdrager (Justitie) bekend dat Nederland heeft besloten tot toetreding. Toch bezorgt dit verdrag de minister nog wel “enige hoofdbrekens”. De doorslag gaf dat Nederland hier een mooie “voorbeeldfunctie” kan vervullen.

Het Unidroit-verdrag vormt volgens Sorgrdrager “het meest haalbare compromis op dit moment voor een mondiaal verdrag”. Maar klopt het ook? De georganiseerde kunsthandel protesteert dat het verdrag de elementaire rechtszekerheid op de tocht zet. Verspaget wil daar niets van horen: de regering gaat toch ook niet om de tafel zitten met de drugshandel, zei ze op 8 november. Zo'n vergelijking is onbehoorlijk. Zij draagt bij tot het bange vermoeden dat Unidroit de bestrijding van internationale kunstroof eigenlijk in dienst wil stellen van nationalistische benepenheid. De UNESCO-conventie van 1970 erkende tenminste nog uitdrukkelijk het belang van internationale uitwisseling van antiquiteiten en kunstvoorwerpen. Het is veelzeggend dat het nieuwe verdrag daarover zwijgt.

Niet het minste bezwaar is dat het Unidroit-verdrag de teruggave van kunstvoorwerpen die zonder de vereiste vergunningen zijn geëxporteerd, op één hoop gooit met de restitutie van regelrecht gestolen objecten. Toch is daar verschil tussen. Het verdrag moedigt landen aan vage en onverantwoorde exportwetten aan te nemen. De mogelijkheid buitenlandse aanspraken te toetsen wordt de rechter verregaand ontzegd. Het is een oude stelregel dat van staten niet kan worden gevergd dat zij vreemde wetten automatisch toepassen. Volgens de officiële toelichting op het Unidroit-verdrag is het expliciet de bedoeling dit internationale grondbeginsel van de openbare orde (ordre public) “in de grootst mogelijke mate terug te dringen”.

DE VERJARINGSTERMIJN van een eis tot teruggave wordt opgerekt tot 75 jaar, zodat staten zó lang met hun eis kunnen wachten dat het voor de zoveelste verkrijger van een object vrijwel niet meer is na te gaan welke bepalingen ten tijde van export eigenlijk van toepassing waren. Als het dan ook om een moeilijk toegankelijke landstaal gaat, en zeker wanneer er ook nog eens veranderingen optreden in het staatsverband (Joegoslavië!), kan dat kunstverzamelaars - privaat én publiek - voor een onmogelijke opgave stellen zich redelijk te verweren. De Nederlandse rechter mag deze complicaties van het door minister Sorgdrager ondertekende Unidroit-verdrag niet in zijn oordeel laten meewegen.

Juridisch gezien verdient het verdrag zeker geen schoonheidsprijs, erkent de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. Maar de bestrijding van smokkel van “cultuurgoederen van uitzonderlijk belang” rechtvaardigt volgens de magistraten een inbreuk op het Nederlandse rechtsstelsel. Het is nu net de vraag of het verdrag zich wel beperkt tot de harde kern van het culturele erfgoed van de wereld. De vereniging geeft zelf toe dat Unidroit een bijkans oeverloze omschrijving van cultuurbezit hanteert. Dat was al een hoofdpunt van kritiek op de UNESCO-conventie van 1970.

TUSSEN DE ondertekening van het Unidroit-verdrag door Nederland en de invoering ligt nog de ratificatie. Alleen al wegens de afwezigheid van een serieus debat over de motie-Verspaget/Roethof zal de Tweede Kamer dit moment niet onopgemerkt voorbij kunnen laten gaan. Sorgdrager trouwens ook niet. “Regelgeving ligt Justitie zeer aan het hart”, verzekerde zij nog onlangs de Eerste Kamer. Zij verklaarde veel waarde te hechten aan een “wetgevingstoets”. Het valt moeilijk te zien hoe het ondertekende verdrag daarmee valt te verenigen.