Het lot van kindsoldaten; De droomtuin is kapotgeschoten

De gruwel van de kindsoldaten in Liberia staat niet op zichzelf. Volgens een schatting van de Verenigde Naties zijn in de hele wereld tweehonderdduizend kinderen jonger dan vijftien jaar ingezet bij gewapende conflicten. Steeds meer moderne, vederlichte wapens worden door kinderen bediend. Hoe lang kan een kind nog kind blijven? Krijgslust van kleuters.

Elke dag, zegt de jonge man in het kaki t-shirt, denkt hij terug aan de kinderen in Monrovia. Een vruchteloze exercitie, want hij kan geen contact met ze leggen en alleen maar hopen dat de meesten van hen veilig zijn. In de espressobar in Victoria Station, duizenden kilometers verwijderd van West-Afrikaans Liberia, haalt Father Christopher Heaps met een machteloos gebaar de schouders op.

“De internationale gemeenschap heeft Liberia afgeschreven”, zegt hij. “Er is, in naam, een staakt-het-vuren. Maar niemand heeft de wapens hoeven inleveren, dus het vechten gaat door.”

De Verenigde Naties hebben berekend dat naar schatting tweehonderdduizend kinderen van jonger dan vijftien jaar, over de hele wereld heen zijn ingelijfd voor gebruik in gewapende conflicten. Kinderen vanaf vijf jaar oud sneuvelen als strijders in merendeels regionale conflicten tussen het heersende gezag en guerrillabewegingen. Ze zijn te jong om te begrijpen waarvoor ze vechten of tegen wie.

Veel van deze kinderen groeien op in door burgeroorlog verscheurde gebieden als Liberia of Mozambique, Tsjetsjenië of Afghanistan, maar ook in Noord-Ierland en (delen van) Turkije. Ze volgen het voorbeeld van hun vaders en hun oudere broers en laten zich de krijgersrol gewillig aanleunen. Ouders laten hun kinderen gaan, omdat er een mond minder valt te voeden of omdat het leger de enige bron van inkomsten voor het (gebroken) gezin vormt. Maar vele kinderen worden ook, met of zonder hun families, gedwongen tot deelname aan de strijd, dan wel rechtstreeks ontvoerd en ver weg meegenomen om te vechten.

Father Christopher Heaps was de afgelopen vier jaar een van de zeer weinige vertegenwoordigers van internationale hulporganisaties die in een door burgeroorlog verscheurd Liberia hebben gewerkt. In april, toen de gevechten in en om Monrovia weer oplaaiden, achtte zijn orde, de Salesiërs van Don Bosco, het raadzaam hem te evacueren. Die beslissing viel ongeveer gelijktijdig met het moment dat de wereldopinie zich even geraakt toonde door filmbeelden en foto's van Liberiaanse kind-soldaten, kleiner dan het geweer dat ze droegen, maar bloeddronken van geweld.

Van de duizenden kinderen, sommigen pas acht jaar oud, die als dader of slachtoffer betrokken waren geraakt bij de burgeroorlog in Liberia en die vervolgens door de compound van de westerse hulpverleners trokken, ligt Reni Father Heaps het dichtst aan het hart. Hij is één van een groep doodsbange dorpsbewoners die zijn toevlucht zocht in een kerk. De vluchtelingen werden alle tweehonderd uitgemoord, op twee kinderen na. Beiden verloren hun benen ten gevolge van de opgelopen verwondingen. Sommige belagers waren even oud als zij.

“Reni kwam bij mij in huis wonen. Hij was elf jaar oud, hij had beide ouders verloren en hij was helemaal alleen. Vrijwel suïcidaal toen hij kwam. Een kind dat zich tegen alles en iedereen verdedigde. Als hem iets in de weg leek te worden gelegd was zijn enige reactie schreeuwen of met stenen gooien. Dat heeft bijna twee jaar geduurd. Nu is hij dertien en hij leek net weer wat gesettled, ook door de verbeterde politieke omstandigheden. Hij had geleerd op mij en op een gestructureerde omgeving te vertrouwen. Ik weet dat je soms moet vertrekken als je denkt daarvoor nog niet klaar te zijn. Maar kun je je voorstellen wat mijn terugkeer naar Engeland in dit geval voor hem betekende?”

Chris Heaps denkt ook aan de kind-soldaten onder zijn hoede. “Ze zeiden: Ik heb niet zelf een geweer gepakt, Father, ze dwongen me om mee te doen. Ze kwamen bij de school, ze laadden ons op een vrachtwagen. Als we niet deden wat ze zeiden, werden we doodgeschoten.” Dat soort kinderen was vervuld van een vreselijke wanhoop over hetgeen ze hadden moeten doen, zegt Heaps. Jonge kinderen, onder de drugs, die bij de verschillende checkpoints onder het bevel van commandanten stonden, die hen aanmoedigden iedereen dood te schieten die niet tot hun groep behoorde. Commandanten die toevallige passanten eerst hun eigen graf lieten delven en dan opdracht gaven tot de executie.

Kinderkruistochten

Er zijn duizenden verhalen over kind-soldaten te vertellen, en niet over die uit Liberia alleen. De boy soldiers die dit voorjaar even hevig in het nieuws waren en er vrijwel onmiddellijk weer uit verdwenen omdat de gruwel van een nieuwe dag zich opdrong, leven nu als fenomeen vooral voort in de belangstelling van talloze kinderbeschermingsorganisaties, van UNICEF tot Save the Children. Het is tenslotte nog vier jaar De Eeuw van het Kind.

Van koele afstand bezien is er niets nieuws aan het inzetten van kinderen voor gevechtsdoeleinden. Het systematisch gebruik van kinderen voor oorlogsdoeleinden begon al met de later zwaar geromantiseerde Kinderkruistochten in de dertiende eeuw. Geestelijken in heel Frankrijk preekten van de kansel: “Wanneer de ongelovige het Ware Geloof zal aanschouwen, gedragen in de handen van kleine kinderen, zal hij het Heilige Land ontvluchten en Christus zal heersen”. De kinderen gingen in hordes, maar de meesten kwam aan het vechten in opdracht van God niet toe. De Christenen-scheepskapiteins die hen naar het Beloofde Land zouden varen, verkochten hun kleine kruisridders liever als slaven aan diezelfde moslims tegen wie ze geacht werden te vechten.

Kinderen raken door de eeuwen heen als vanzelfsprekend in de gewapende conflicten van de grote mensen-wereld betrokken, maar de twintigste eeuw laat een herleving van het gebruik van kinderen in oorlogssituaties zien. In elke bevrijdingsoorlog, elke guerrillabeweging, van de oorlog in Vietnam tot het conflict in Noord-Ierland, worden kinderen gebruikt als koeriers, als agents provocateurs, als mijnenveld-opruimers en als gewapende infanterie. In de oorlog tussen Iran en Irak kregen Iraanse kinderen van geestelijk leider Khomeiny een plastic sleutel mee, die hun de deur naar de hemel zou openen op het moment dat ze zouden sterven in de strijd. De Vietcong blies menig Amerikaanse GI op, wanneer die dacht dat hij toch tenminste een kind zonder gevaar een snoepje kon geven. De IRA en de loyalistische terreurbewegingen gebruiken nog steeds kinderen voor hand- en spandiensten. Menigmaal hebben de veiligheidsdiensten in Belfast of Londonderry achteraf moeten constateren dat de rellen op straat, waarin kinderen de hoofdrol speelden, geënsceneerd waren teneinde de aandacht van een actie van de godfathers af te leiden. En nog steeds is het een eer voor kleine Paddy of Billy om een boodschap te mogen doen.

Vederlichte wapens

Wat de situatie van kinderen in een (burger-)oorlogssituatie heeft veranderd, is de aanwezigheid van vederlichte semi-automatische wapens. De Britse oorlogshistoricus John Keegan heeft ze 'de transistorradio's' van het moderne gewapende conflict genoemd: gemakkelijk te verkrijgen, door het kleinste kind te bedienen. Father Heaps herinnert zich nog goed die ene gelegenheid waarin hij zag hoe in een garage aan de overkant van zijn huis in Monrovia jonge jongens, tientallen na elkaar, werden voorzien van brandnieuwe AK-17's. Diezelfde wapens zou hij terugzien, bij de eindeloze wegversperringen waar telkens weer een andere groepje jeugdig ongeregeld dreigend met AK-17's stond te zwaaien. En later weer, toen een stel twaalf- tot veertienjarigen de compound overviel en geld en goederen afdwong. Daarna vluchtten ze in paniek, omdat ze dachten op de hielen gezeten te worden door een soortgelijke bende van iets oudere jongens, van wie ook al onduidelijk was tot welke partij in het conflict zij behoorden.

Oorlogshistoricus Keegan: “We hebben hier te maken met het fenomeen van de militarisering van wapens: ze aanpassen aan de individuele soldaat, ze zo licht maken dat zelfs een tienjarige ze nog kan gebruiken. Daarmee is een psychologische grens doorbroken, want héél lang konden wapens vanwege hun gewicht alleen door volwassen mannen worden gehanteerd. Het doorbreken van die barrière is te wijten aan de Britten en de Fransen - en naar ik aanneem ook de Nederlanders - die het nodig vonden de inwoners van Zuidoost-Azië tot soldaten om te smeden. Die vielen met hun kleine postuur en hun kleine handen geheel in het niet vergeleken met die grote Europeanen en hun soort wapens en ammunitie.”

Leeftijdsgrens

Unicef, het kinderfonds van de Verenigde Naties, wil het gebruik van kinderen als soldaten beperken. Een VN-werkgroep bereidt een toevoeging aan de Conventie voor de Rechten van het Kind voor die de internationaal geldende minimumleeftijd voor recrutering in het leger omhoog moet brengen van de huidige vijftien jaar naar, idealiter, achttien jaar.

Een officiëel VN-onderzoek inzake het effect van gewapende conflicten op kinderen leverde in april van dit jaar een rapport op van onderzoekers van het Quakers United Nations Office in Genève en van het Internationaal Katholiek Kinderbureau. Zij bestudeerden in opdracht van internationale kinderbeschermingsorganisaties aard en omvang van het fenomeen kind-soldaten in vierentwintig landen, van Liberia tot Burma en Paraguay, van Turkijë tot Oeganda en van Tsjetsjenië tot Noord-Ierland. Het rapport verscheen juist op het moment dat de boy soldiers in Liberia zo hevig in het nieuws waren en maakt impliciet duidelijk hoe selectief de publieke opinie zich op dat moment op Liberia (en daarvóór op Mozambique en de kindsoldaten van Renamo) richtte.

Rachel Brett, één van de rapporteurs, wijst in een telefonische toelichting meteen op het feit dat uitgerekend Nederland, dat de Conventie voor de Rechten van het Kind heeft ondertekend, één van de weinige landen is waar zestienjarigen als vrijwilliger in het leger kunnen worden opgenomen. De VN oefenen druk uit op de Nederlandse regering om die praktijk te veranderen. De reden is, zegt Brett, onder andere het feit dat de aanwezigheid van zestienjarigen op zichzelf al de mogelijkheid creëert jongens en meisjes van die leeftijd in een oorlogssituatie te gebruiken - alle verzekeringen van regeringen van het tegendeel ten spijt. “Kijk naar Groot Brittannië, dat jongeren onder de achttien inzette in de Falklands- en de Golf-oorlog, en dat hen ook gebruikt als vredeshandhavers in voormalig Joegoslavië.”

Twee van de zes landen die zestienjarige vrijwilligers als leerling-militairen plachten op te nemen, zijn inmiddels van standpunt veranderd. Australië en Denemarken vinden zestien voortaan 'te jong'. Canada, Nieuw-Zeeland, Groot-Brittannië en Nederland blijven zestienjarigen “in opleiding” toelaten, terwijl de VS en Pakistan zeventienjarigen in gevechtssituaties willen blijven inzetten.

Schriel en sexy

De interpretatie van de VN-onderzoeksresultaten hangt sterk af van de definitie van het begrip 'kind'. Het gebruik van dat woord brengt in de hele discussie over 'kind-soldaten' grote moeilijkheden met zich mee. Wanneer is een kind niet meer een kind en waar precies ligt de scheidslijn tussen jeugd en volwassenheid?

Professor Hugh Cunningham, sociaal historicus aan de Universiteit van Kent, heeft vorig jaar een boek(*) gepubliceerd over de wisselende plaats die de begrippen 'kind' en 'jeugd' de laatste vijf eeuwen in het Westen hebben ingenomen. Hij wijst erop dat 'kinderen' historisch gezien veel jonger waren dan nu. Vooral de invoering van de leerplicht heeft de kindertijd verlengd. Wie nog op school zit, wordt gezien als kind, wie zelf geld gaat verdienen wordt door dat feit alleen een volwassene.

Cunningham: “Het idee van een kindertijd, die zo lang mogelijk moest duren en waarin het kind alleen maar gekoesterd moest worden en beschermd tegen invloeden van buitenaf, is een romantisch ideaal dat pas in de late achttiende eeuw heeft postgevat. Het idee dat we kinderen hun kindertijd zouden afpakken, berust op het teruggrijpen naar een soort geïdealiseerd gedachtenspinsel, dat nooit echt bestaan heeft en dat hoe dan ook nooit verder reikte dan de middle classes. De wereld van Peter Pan, het gedroomde Never Neverland, het idee dat het bestaan een hel ging worden als je opgroeide, al die onzin heeft lang zijn greep gehouden op dat concept van 'kind' en 'kindertijd'.”

Wat arme kinderen betreft, voert Cunningham aan dat de verlenging van hun kindertijd pas aan bod kwam, toen ouders er ook economisch de zin van inzagen hun kind naar school in plaats van naar de fabriek te sturen. Die overweging en de invoering van de leerplicht gingen hand in hand.

Vernederingen

Het lijkt aannemelijk te veronderstellen dat het concept van kind en kindzijn zich in de Derde Wereld onder druk van de daar geldende omstandigheden op heel eigen wijze heeft ontwikkeld. En gewapend conflict, gecombineerd met economische deprivatie, kost kinderen daar zelfs de paar jaar geborgenheid, waarop ze gezien hun fysieke en psychologische kwetsbaarheid tenminste zouden moeten kunnen rekenen. Het merendeel van de oorlogssituaties, die in het hierboven genoemde rapport op hun effecten voor kinderen zijn bestudeerd, hebben nu juist in die economisch gedepriveerde gebieden plaats.

De gevolgen voor kinderen uit met name deze gebieden, die in gewapend conflict terecht komen, zijn totaal ontwrichtend. Het VN-rapport somt ze op. Kinderen raken gescheiden van hun familie en van de samenleving waaruit ze voortkomen. Vooral kinderen zonder papieren en afkomstig van het platteland of uit arme stadsgebieden lopen rond als vluchtelingen of straatkinderen. In die situatie zijn ze een dankbare prooi voor (gedwongen) recrutering. Kinderen die gedwongen worden als strijder deel te nemen aan een gewapend conflict vinden vaker dan volwassenen de dood, door hun gebrek aan ervaring en training. Letterlijk: “Zij worden maar al te vaak gebruikt in de frontlinies en hun geringe gestalte en hun behendigheid leiden ertoe dat ze vaak de gevaarlijkste opdrachten krijgen toebedeeld.”

De rapporteurs vonden talloze voorbeelden van kinderen die standaard alcohol en drugs krijgen toegediend, vooral voorafgaand aan een veldslag. Seksueel misbruik van jongens en meisjes is allerminst een uitzondering, met alle gevaar vandien: van besmetting met geslachtsziekten tot en met zwangerschap. Kinderen lijden niet alleen fysiek, maar worden ook onderworpen aan vernederingen die bedoeld zijn hen te doen buigen voor 'het gezag'. Een dergelijke behandeling kan hun gevoel van eigenwaarde vernietigen en hen brengen tot een gewelddadige oplossing van problemen. Sommige kinderen moorden zelf of plegen zelfmoord na dergelijke voorvallen.

De rapporteurs komen met een reeks van aanbevelingen die het werven van kinderen moeten voorkomen. Zij doen ook een soortgelijke serie voorstellen over de rehabilitatie en resocialisatie van kinderen die slachtoffer zijn geweest van dergelijke omstandigheden. De aanbevelingen zijn vroom: lokale afspraken tussen strijdende partijen over de minimumleeftijd van strijders; regulatie van de verkoop van semi-automatische wapens; een eind aan gedwongen recrutering van jonge kinderen. En bij de rehabilitatie: zo snel mogelijke integratie van ex-kind-soldaten en kind-slachtoffers in speciaal opgezette onderwijsprojecten.

De VN-schatting van tweehonderdduizend kinderen jonger dan vijftien jaar die de titel “kind-soldaat” zouden verdienen, is niet meer dan dat: een schatting. Het VN-rapport laat zien dat veel aspecten van het fenomeen kind-soldaten onzichtbaar zijn gebleven. De rapporteurs gingen in september 1995 aan de slag en voltooiden hun rapportage binnen acht maanden. Ze konden niet zien hoeveel inmiddels volwassen geworden soldaten als kind-soldaat begonnen waren. Als een conflict maar lang genoeg duurt, en het kind niet sneuvelt of wordt gedemobiliseerd, verdwijnt zijn tragische voorgeschiedenis vanzelf. Wie weet na zoveel jaar nog hoe in Ethiopië, El Salvador, Mozambique en Burma gelijkelijk het regeringsleger of de oppositiegroep dorpen en stadjes zijn binnengetrokken, volwassenen hebben uitgemoord, de kinderen hebben ontvoerd en hun woonplaats hebben leeggeroofd en platgebrand?

Scholieren

Een voormalig kind-soldaat uit Burma / Myanmar, die het nog aan de rapporteurs kon navertellen: “We kwamen uit school aan het eind van de dag en de militairen hadden de school omringd. Wij waren met veertig of vijftig, één groep, en we werden allemaal gearresteerd. We waren allemaal vijftien, zestien, zeventien jaar oud en doodsbang voor de militairen. We waren scholieren, we zagen eruit als scholieren, want we hadden allemaal ons blauwe hemd en groene broek aan. Onze leraren sloegen allemaal op de vlucht. Het was één grote chaos... We waren allemaal doodsbang maar we durfden niet eens naar ze te roepen dat ze ons moesten vrijlaten en dat we nog geen achttien waren, omdat we zo bang waren...Ik wist niet wat er met ons ging gebeuren en ze vertelden ons ook niets.”

Of dit verslag, uit El Salvador: “...weeskinderen tussen nul en twaalf jaar [van 'vijandelijke' posities] werden [door de oppositie-groepering] opgenomen in vluchtelingenkampen en centra voor dagverzorging, waar hun soms in het geheim militaire training werd gegeven door de oppositiestrijders. Vele van die kinderen sloten zich bij de oppositiegroep aan wanneer ze eenmaal twaalf jaar waren.”

Het kind dat geen familie meer heeft, of niet meer weet wie of waar die familie is, heeft vrijwel geen andere keus dan zich over te leveren aan de genade van de gewapende groep waarin hij is opgenomen. Hij kan zich maar al te vaak geen voorstelling maken van een bestaan buiten het conflict en, na verloop van tijd wordt zijn rol in dat conflict zijn enige bestaansreden.

Het VN-rapport mag spreken van resocialisatie, maar bijvoorbeeld Father Heaps heeft de ervaring dat 'zijn' kinderen zich hereniging met de familie - zo die nog mogelijk is - al niet meer laten aanleunen. Het kind wilde thuis niet meer wennen, de familie zag hem in die omstandigheden liever gaan omdat er monden genoeg te voeden waren. Zelfs betaling van de hulpverleners aan de ouders, in de hoop dat zij hun kind zouden terugnemen, leidde niet tot duurzame hereniging. De ondersteuning van Heaps en zijn collega's bestond dus vooral uit het verschaffen van voedsel, van een dak om onder te slapen en van simpele klassen in houtsnijden en koken, die het althans de straatkinderen mogelijk moesten maken enige dollars te verdienen.

Volgens Heaps is het aan “de open en accepterende natuur” van de Liberianen te danken, dat tijdens hun pogingen tot rehabilitatie slachtoffers en daders onder de kinderen onderling niet gewelddadiger jegens elkaar waren. “Er was voor alles het gevoel: wij moeten verder. Wat niet weg neemt dat lokale werkers allemaal geschoold werden in trauma-counseling. Als ik vroeg naar ervaringen van een kind-soldaat, had ik altijd het nadeel dat ik als een katholiek priester werd gezien. Dan kreeg je het standaard antwoord volgens het heersende Baptisten-ethos: 'God liet me de weg zien en wees me hoe ik het geweer moest opnemen.' Omdat die kinderen denken dat je dát wilt horen.”

Wanneer je Chris Heaps vraagt wat voor samenleving Liberia in de toekomst tegemoet kan zien, voorspelt hij somber “een totale rotzooi, nog jaren”. Want: “Waar gaan de nieuwe leiders vandaan komen? Schieten die zich ook een weg naar de top? Je ziet het effect nu al bij de aankomende generatie: aan de ene kant onstaat er een let's have it now!-cultuur, waarin alleen belangrijk is dat je er goed uitziet en vooral zelfvertrouwen uitstraalt. Iets delen met een ander, een relatie hebben met iemand: het is die kinderen, die nu opgroeien, nooit geleerd. En aan de andere kant zijn er mensen die diepgaand religieus worden, als reactie op al dat extremisme en al die oppervlakkigheid.”

Beschadigd

Wat de individuele toekomst van kind-soldaten betreft, is het palet echter niet alleen somber gekleurd. Dr Alexander Lyons, die als psychiater in Belfast al een kwart eeuw de kind-slachtoffers van the Troubles behandelt, meent dat de psychologische beschadiging van kinderen die permanent aan geweld blootstaan, beperkt kan blijven “zolang die kinderen daarvoor iets terugkrijgen”.

Lyons: “Velen denken dat hier een generatie beschadigde kinderen is opgegroeid. Dat hangt ervan af. Als kinderen in een groep aan deze of gene zijde van de sectarische scheidslijn opereren geeft ze dat een sterk gevoel van eigenheid. Haat jegens de andere groep is een sterke gelijkmaker. Met individuele kinderen, wier vader is vermoord, of wier huis is getroffen door een bezinebom, of wier broertje kreupel is geworden door een zogenaamde punishment beating, ligt het moeilijker. Met de psychische beschadiging valt het, ook bij jonge kinderen, vaak heel erg mee, omdat ze nog zo plooibaar zijn. Als je ze vlak na zo'n incident maar de gelegenheid geeft hun gevoelens te bespreken, dan verdwijnen op termijn de typische verschijnselen van wat tegenwoordig heet post traumatisch stress-syndroom. Dat was in de Eerste Wereldoorlog shell-shock, in '40-'45 heette het battle neurosis en de Amerikanen noemen het nog steeds combat fatigue. Volwassenen raken over gruwelijke gebeurtenissen niet heen, kinderen wel.”

Maar als we over de voortdurende aanwas van terroristen spreken, zegt Lyons dat speculatie buiten zijn vakgebied hem tot een andere conclusie zou kunnen leiden. “Als u mij vraagt: brengen wij hier een nieuwe generatie haters op, dan moet ik er wel op wijzen dat de paramilitairen die ik in de gevangenis bezoek niet zielsziek zijn, maar wel allemaal een vader hebben die ooit werd geïnterneerd of een familielid dat is vermoord. De gruwelen die ze hebben ondervonden maken hen niet ziek, maar fanaat - en zo creëer je een vicieuze cirkel.”

Terugkerend bij de definitie van 'kind': het Westen kent een beweging die leidt naar een verlaging van de leeftijd, waarop de volwassenheid geacht wordt te beginnen. De kiesgerechtigde leeftijd ligt veelal bij achttien, de leeftijd voor seksuele beslissingsbevoegdheid begint al bij twaalf en kinderen vanaf twaalf jaar wordt bij scheiding van de ouders inspraak gegeven over de manier waarop hun eigen directe toekomst er moet gaan uitzien. In de woorden van professor Cunningham: kinderen beginnen uit hun getto van afhankelijkheid te breken. Sinds de boekencultuur is vervangen door de televisie- en videocultuur is het hek om de droomtuin van de romantische kindertijd steeds verder in verval geraakt. Ouders zien de wereld daarbuiten echter als toenemend gevaarlijk en bedreigend en proberen hun kinderen klein te houden, door ze de autonomie waarop ze aanspraak maken te ontzeggen. Het idee dat kinderen rechten hebben, botst met de overblijfselen van het romantisch ideaal. “Wat worden kinderen tegenwoordig toch gauw volwassen”, is de algemene verzuchting die op die botsing van ideaal en werkelijkheid van toepassing is.

Wanneer is een kind dus nog een kind en wanneer kan er van een verloren jeugd sprake zijn? Cunningham aarzelt: “Voorlopig is er nog algemene overeenstemming dat een kind jonger dan twaalf jaar te jong is om te werken. De vraag wanneer kinderen te jong zijn om te vechten, brengt enorme problemen met zich mee. Wanneer het hun fysiek en psyche vervormt? Vroeger keek het leger tenslotte alleen naar lengte en tanden. Er moet ergens een overgangsperiode tussen te jong en oud genoeg worden gevonden waarin het kind niet helemaal onbeschermd is, maar toch de rechten en plichten van een volwassene krijgt opgediend. Hetgeen natuurlijk niet wil zeggen dat kinderen maar meteen met vol-automatische wapens kunnen worden toegerust.”

* 'Children: the invisible soldiers. Report on the Participation of Children in Armed Conflicts and Internal Disturbances and Tensions for the United Nations Study on the Impact of Armed Conflict on Children.' By Rachel Brett, Margaret McCallin and Rhona O'Shea of the Quaker United Nations Office, Geneva and The International Catholic Child Bureau on behalf of the Child Soldiers Research Project.