Het gebruik van een genie

DAVID B. DENNIS: Beethoven in German Politics, 1870-1989

251 blz., geïll., Yale University Press 1996, ƒ 63,-

'No beef, no Beethoven!', riep het conservatieve lagerhuislid George Walden begin juni op het hoogtepunt van de gekke-koeien-crisis. De strijd om het Britse rundvlees, een confrontatie tussen vooral Engeland en Duitsland, viel samen met het Europese voetbalkampioenschap. Tijdens de openingsceremonie zou het slotkoor uit Beethovens negende symfonie, de 'Ode an die Freude', ten gehore worden gebracht. Ontoelaatbaar, aldus Walden. Zolang er geen Brits vlees Duitsland in mocht, diende de Duitse componist geboycot te worden. Of Beethovens muziek inderdaad niet is gespeeld, weet ik niet; daarvoor interesseert voetbal me te weinig. Feit is dat het bepaald niet voor het eerst was, dat Beethovens naam met de actuele Duitse politiek verbonden werd, al gebeurde dat meestal door de Duitsers zelf. En natuurlijk, Waldens strijdkreet allitereerde lekker, maar zonder twijfel was het zijn bedoeling de Duitse natie via Beethoven gevoelig te treffen.

Ludwig van Beethoven (1770-1827) en de Duitse politiek, daarover gaat de vermakelijke studie van de Amerikaanse historicus David Dennis, Beethoven in German Politics, 1870-1989. Plechtige en minder plechtige momenten uit de Duitse politieke geschiedenis, ze gingen dikwijls vergezeld van Beethovens klanken. Voorafgaande aan de constituerende vergadering van de Bondsdag in 1949 speelde een orkest de ouverture 'Die Weihe des Hauses'. Kort na de opening van de Muur in 1989 klonk in West en Oost vanzelfsprekend het 'Alle Menschen werden Brüder'; dirigent Leonard Bernstein had de 'Ode an die Freude' voor de gelegenheid omgedoopt in de 'Ode an die Freiheit'. Welbeschouwd was het sinds 1870 niet anders geweest. Het was Beethoven in voor- en tegenspoed. Vanaf de Duitse eenwording werd zijn muziek met succes gebruikt ter culturele legitimatie van het keizerrijk, van de verschillende, elkaar bestrijdende ideologische bewegingen tijdens de Republiek van Weimar, van Hitlers Derde Rijk, van DDR, Bondsrepubliek en verenigd Duitsland. De Duitse culturele traditie, met Beethoven als haar patroonheilige, was een integraal bestanddeel van het vigerende politieke zelfbewustzijn.

Dennis maakt duidelijk dat de betekenis die aan Beethoven als cultuurpolitieke heros werd gehecht, niet direct gerelateerd was aan zijn muziek. Daarin kon men vanzelfsprekend alles 'hineinprojektieren'. Het ging veel meer om de persoon Beethoven, diens genialiteit, monumentale wilskracht en vastberadenheid, en om die incidenten uit zijn leven, al dan niet verbonden met bepaalde composities, die eenvoudig van een politieke lading konden worden voorzien. Het bekendste voorbeeld levert de derde symfonie - aanvankelijk opgedragen aan Napoleon Bonaparte, totdat deze zichzelf in 1804 tot keizer kroonde. Beethoven veranderde het titelblad en noemde het werk 'Eroica'. Was dit een daad van een overtuigde democraat, of gaf hij daarmee blijk van anti-Franse, nationalistische gevoelens? Zag de componist in Napoleon een verrader van de revolutie-idealen, of beschouwde het Duitse genie de keizerskroning als een zelfdegradatie van het Franse genie, zoals enkele Duitse voorstanders van een sterke leider, een 'Führer', in de jaren twintig beweerden. Was Beethoven behalve een muzikale revolutionair - wat hij zeker was - ook een politieke revolutionair geweest? Het was voor elk wat wils.

Politisering Met de Duitse eenwording in 1870 begon ook de politisering van de Beethovenmythe. Het jaar van de Frans-Pruisische oorlog was tevens het honderdste geboortejaar van de componist. Posthuum werd Beethoven een strijder voor de Duitse eenheid. Richard Wagner, de propagandist van het martiale, nationalistische Beethovenbeeld bij uitstek, meende dat de geschiedenis zelf de natie te hulp was gekomen door het herdenkingsjaar te laten samenvallen met de overwinning op de erfvijand: een grootser eerbetoon aan Beethoven was niet mogelijk. Vaak ook werden Beethoven en Bismarck in één adem genoemd. Dennis ontrafelt een fraai staaltje mythevorming. Van Bismarck, een groot liefhebber van Beethovens kamermuziek, was de uitspraak bekend, dat wanneer hij vaker naar het 'elan terrible' van Beethovens muziek kon luisteren, hij altijd dapper zou zijn. Bekend was ook dat hij een maand voor de overwinning op de Oostenrijkers bij Königgrätz in 1866, een uitvoering van de vijfde symfonie - in Duitsland 'Schicksalssymphonie' genoemd - had bijgewoond. In de laat-negentiende-eeuwse geschiedschrijving heet het, dat Bismarck direct na het bijwonen van een door hemzelf verordonneerde uitvoering van de symfonie, opgewonden door de krachtige thema's, Oostenrijk de oorlog verklaarde - en won. In 1892 wist dirigent Hans von Bülow te onthullen dat Bismarck de bedoelde held van Beethovens 'Eroica' was.

Dit nationalistische Beethovenbeeld bleef dominant tot aan de ondergang van het Derde Rijk, zij het dat het tijdens Weimar vooral courant was in rechtse en extreem-rechtse antidemocratische kringen. Onder de nazi's - die moeite hadden met Beethovens niet-arische voorkomen en met zijn dronken en gewelddadige vader, maar Beethoven politiek te belangrijk achtten om zijn muziek te verbieden - waren Wagners Beethoven-essays verplichte kost op de school.

Tobber

Maar terwijl Wagner het exclusieve bezit van conservatief en rechts Duitsland werd en diens werk sinds 1933 vaker wel dan niet met het nazisme werd geassocieerd, bleef de Beethovenmythe voor alle politieke richtingen bruikbaar. Voor socialisten en communisten was Beethoven een held van de revolutie. Friedrich Engels had dat al onderkend. Favoriet was, alweer, de negende symfonie. Kurt Eisner, die het als een taak van de socialistische voormannen zag de arbeidersklasse cultureel te vormen, organiseerde in 1905 in een Berlijnse arbeiderswijk een uitvoering van het werk, voor en door proletariërs. De symfonie was een 'catechismus van de revolutionaire ziel'. Als minister-president van de kortstondige Beierse radenrepubliek organiseerde Eisner in de chaotische wintermaanden van 1918-1919 verschillende Beethovenconcerten.

Tijdens de Republiek van Weimar bereikte de politieke versplintering van het Beethovenbeeld het hoogtepunt. Het honderdste sterfjaar van de componist, 1927, was aanleiding tot felle polemieken: ieder beschouwde Beethoven als de zijne. De nazi's maakten aan deze verschillende interpretaties een einde, ten gunste van hun eigen voorstelling. Ontmythologisering en depolitisering vond eigenlijk alleen plaats in de Bondsrepubliek. In de naoorlogse welvaart werd de componist commercieel interessant. Beethoven zelf werd gepsychologiseerd. Hij was een geniaal componist geweest, zeker, maar verder bleek er vooral een gekwelde, 'allzumenschliche' tobber in hem te hebben geschuild. In de DDR bleef de linkse Beethovenmythe tot 1989 overeind. Niet alleen werd er ritueel melding gemaakt van Lenins bewondering voor Beethovens muziek, Oostduitse musicologen ontdekten ook dat Beethovens composities anticipeerden op de filosofie van Marx, in het bijzonder op Marx' elfde Feuerbach-these. Zoals de filosofie volgens Marx de wereld niet alleen diende te interpreteren, maar die behoorde te veranderen, zo zou ook Beethovens muziek geen weerspiegeling van de toenmalige samenleving zijn, maar eveneens bedoeld zijn geweest die maatschappij te veranderen. Componeren was voor Beethoven een 'revolutionaire, praktisch-kritische daad' geweest. In de DDR werden de progressieve visioenen van de componist natuurlijk werkelijkheid.

Dennis' boek staat vol met dergelijke prachtige voorbeelden. Zo waren er muziekliefhebbers die tijdens de Eerste Wereldoorlog tevergeefs pleitten voor een voorlopig verbod op uitvoeringen van de negende symfonie. Het 'alle Menschen werden Brüder' was temidden van de massale slachtpartijen onverdraaglijk geworden.

Het fraaiste voorbeeld van politiek gebruik van de componist komt evenwel voor rekening van Walther Rathenau, van februari 1922 tot aan zijn gewelddadige dood in juni van dat jaar minister van buitenlandse zaken. In een poging de voor Duitsland wurgende Vrede van Versailles ten overstaan van de Reichstag acceptabel te maken, refereerde hij aan het burgerlijk-idealistische beeld van de karaktervaste, stoïcijnse Beethoven, de componist die zelfs zijn doofheid met zijn muzikale scheppingen had weten te overwinnen. Rathenau verwees in zijn toespraak naar een van de laatste composities van Beethoven, het strijkkwartet in F-groot opus 135, bekend onder de titel van het laatste deel: 'Der schwer gefasste Entschluss'. 'Muss es sein?', schreef Beethoven tamelijk raadselachtig bij de eerste maten, om te antwoorden: 'Es muss sein'. Mineur- en majeur-thema lijken vraag en antwoord te illustreren. Zoals Beethoven zijn persoonlijke tegenslagen had weten te dragen, betoogde Rathenau, zo zou ook Duitsland de zware last van Versailles gelaten moeten aanvaarden: 'Es muss sein'. Het zou niet zo zijn, Beethoven of geen Beethoven.

    • Jeroen Koch