Graf

CRI STELLWEG: Een graf van letters

111 blz., Ambo 1996, ƒ 24,90

Is leed overdraagbaar? Iedereen die wel eens verdrietig is geweest, zal de beperkingen kennen van andermans medeleven of -lijden. Dat valt die ander niet te verwijten, want hoe welwillend ook, veel meer dan begrip tonen en 'navoelen' zit er nu eenmaal niet in. Cri Stellweg doet in Een graf van letters, geschreven naar aanleiding van het overlijden van haar echtgenoot, na een huwelijk van vijftig jaar, niet haar beklag over een gebrek aan medeleven. Maar zij geeft wel blijk van enige ergernis over de opmonterend bedoelde dooddoeners die zij om de haverklap te horen kreeg. 'Gelukkig heb je je herinneringen', hield men haar voor. Of, nog erger: 'Het leven gaat door'. Zij had nu juist de behoefte om het leven niet door te laten gaan, om zich op het voorbije leven te bezinnen en dan is papier veel geduldiger dan een medemens.

Een graf van letters, een bescheiden, fijnzinnig gedenkteken, geeft een indruk van het leven als nabestaande, zoals Stellweg dat al eerder gaf, in 1975, toen haar broer overleed. Over de overledene zelf gaat het alleen in afgeleide zin. Het gaat om wat zijn weduwe denkt als ze aan zijn sterfbed zit, achter de doodskist loopt, of zijn graf verzorgt. Wat daarbij treft is de ondramatische, nuchtere toon, die ook typerend was voor de columns die ze jarenlang voor de Volkskrant schreef als Saartje Burgerhart. Maar vooral heeft zij het vermogen om haar hoogstpersoonlijke ervaringen zo te formuleren dat ze voor anderen niet alleen toegankelijk worden, maar ook aardig om te lezen. Beeldend is de passage over het woord 'alleen', dat aanvankelijk niet uit haar gedachten wil. “Het woord Alleen is altijd bij me. Het schuifelt rond, het stommelt in mijn hoofd, het trekt en rukt aan mijn gevoel als een dreinend kind aan moeders arm, het knerpt en knarst onder mijn voeten, het schudt me wakker, het ligt te grijnzen op mijn beddekussen, het scheurt ruw alles kapot. (-). Het vernielt alles wat maar in de verte zou lijken op aardigheid hebben in het een of ander.”

Een verdrietig of somber stemmend boek is Een graf van letters niet. Een grappig hoogtepunt vormt de episode waarin zij met haar dan nog levende man een bezoek brengt aan een rustiek kerkhofje. Ze willen er, nu zij de zestig gepasseerd zijn, alvast een plek uitzoeken. Ze worden er rondgeleid door een man, die hen toevertrouwt dat hij eigenlijk belastingadviseur is en het kerkhof er 'als een aardigheidje' bij doet. Terwijl zij nog lopen te dubben over een plaats onder een boom, of meer in het licht, kan hij niet nalaten hen te wijzen op zijn eigen, zakelijker beslommeringen. Hij houdt halt voor een diepe, pasgegraven kuil, waar een Schiedammer in zou komen te liggen. Maar op het laatste nippertje besloot de familie hem toch maar in Schiedam te houden. 'Daar zitten we dus even mee', merkt hij op. 'U zoudt er bij wijze van spreken zo in kunnen.'

De passages die zich op het kerkhof afspelen, zijn toch al de meest animerende uit het boek. Stellweg voelt zich er naar eigen zeggen, tijdens de regelmatige bezoeken, thuis. Ze ververst niet alleen de plantjes, maar spreekt haar man ook toe, om hem op de hoogte te houden van haar reilen en zeilen. Om het zich gemakkelijk te maken neemt ze wel eens plaats op een ander graf. “Tegenover hem aan de overzijde van het pad staat een steen die juist de hoogte heeft van een stoelzitting. Onder de steen, die groengrijs verweerd is, wacht Johannes Dannis op zijn wederopstanding. Drieëenzestig jaren oud was hij toen hij overleed. En sinds 1959 ligt hij te wachten. Er komt nooit meer iemand om hem te bezoeken.”

Het zijn passages als deze, die de dood een menselijker aanzien geven. Aandoenlijk in dit verband is de belofte van de goedmoedige kerkhofbeheerder. Als het zover is, zal hij haar er eigenhandig 'onderspitten'. Hij is het ook die antwoord durft te geven op de vraag die haar, vier jaar na de dood van haar man, bezighoudt, en waarop een bevriende arts geschokt zweeg. Zij vraagt zich af wat er daar beneden van hem is overgebleven. 'Botten, wat knopen van de kleren, het gebit', zegt de beheerder. 'Nee, die zou je niet meer kennen nee. Die z'n taak zit erop.'

Het is een antwoord waarmee ze na vier jaar rouwen vrede kan hebben.

    • Janet Luis