Gepensioneerd luitenant-generaal Couzy: We hebben militairen te lang gelijkgetrokken met ambtenaren

Luitenant-generaal Hans Couzy moest de afgelopen vier jaar de Koninklijke Landmacht halveren, omvormen van een dienstplichtigenleger in een beroepsleger, en uitzenden naar ex-Joegoslavië. Met de politiek kwam hij herhaaldelijk in aanvaring en 'Srebrenica' werd een ramp. Deze maand ging Couzy met pensioen - de kruitdampen beginnen op te trekken. “Ik heb ontzettend veel respect voor de mens Voorhoeve.”

In de vier jaar dat hij de Koninklijke Landmacht leidde vielen twee Nederlandse oorlogsdoden. Twee weken na zijn afzwaaien kwamen er 28 leden van een militaire kapel om bij een vliegtuigongeluk. Wrang? Ja. Een tragedie? Ja. Voor het vaderland gestorven? “Ik leg die verbinding niet”, zegt Henri André (Hans) Couzy. “Maar ik heb het er best moeilijk mee.”

Luitenant-generaal Couzy (55) is heel erg buiten dienst. In een geruit hemd en een geruite broek schenkt hij zelf koffie in zijn Haagse huiskamer. Het parket ligt bezaaid met stukken van een racebaan, Disney-video's en tekeningen: hij maakt opnieuw kennis met zijn kinderen (3 en 8). Op een tafeltje ligt Graham Greene's Getting to know the general. Een bladwijzer steekt in het begin.

U zag het leger als een bedrijf en uzelf als een manager. Welk produkt levert het leger?

“Gevechtskracht, die op beslissingen van politici ingezet moet kunnen worden. Daarin zijn we uniek, want inzet betekent grote risico's lopen en mogelijk het leven erbij laten. Als het gaat om kwesties van dood of leven wil je de risico's beperken en moet je soms beslissingen nemen die veel geld kosten, onsympathiek zijn of afwijken van wat elders gebeurt.”

Is er vraag naar uw produkt?

“Ja. De Nederlandse krijgsmacht moet kunnen optreden in een geweldsspectrum van vredesoperaties tot oorlog: de verdediging van het NAVO-grondgebied. Daar is helaas nog steeds een markt voor.”

Zijn vraag en aanbod een beetje op elkaar afgestemd?

“In de Koude Oorlog wisten we hoe sterk de vijand was en wat we daar tegenover moesten stellen. Nu die directe dreiging is verdwenen moeten we een fair share in de nieuwe NAVO leveren. Dat is een rekbaar begrip, maar in de Prioriteiten-nota [het regeringsbesluit uit 1993 om de landmacht te verkleinen van 55.000 tot 25.000 man en om te vormen tot een beroepsleger] is een goede omvang afgesproken.

Heeft uw visie op de krijgsmacht wortel geschoten?

“Verstandelijk wordt het onderschreven, maar de cultuurverandering zit nog lang niet bij iedereen tussen de oren. Maar dat kan ook niet in drie jaar.”

Je kunt het leger ook als ambtenaren-klasse zien.

“We hebben militairen te lang gelijkgetrokken met ambtenaren. Bij militaire inzet kun je niet meer over 40- of 38-urige werkweken praten. Als je militairen daarop moet voorbereiden kun je niet zeggen: alles is strikt gereglementeerd, met zoveel uur per week en de precieze compensatie bij elk extra gewerk uurtje. Dat hadden we de laatste twintig jaar uit het oog verloren. Parttime-werk, zoveel procent allochtonen en vrouwen, dat zijn mooie regelingen om achterstandsgroeperingen aan werk te helpen, maar voor het inzetten van de krijgsmacht heb je er niet veel aan.”

Is militair zijn dan eerder een levensvervulling dan gewoon-een-baan?

“Levensvervulling is te sterk. Toen ik in 1957 besloot beroepsofficier te worden was het ook niet voor Koningin en Vaderland, maar meer om praktische dingen: een beetje avontuur, verantwoordelijkheid dragen, organiseren. Bij de jongen van negentien, twintig die nu beroepssoldaat wordt, speelt dat ook. Hij wil ervaringen opdoen, en ook nog een leuk centje verdienen.”

In uw pasverschenen memoires, Mijn jaren als bevelhebber, schrijft u dat het leger een paar jaar geleden ongekwalificeerde soldaten afleverde. Waarom?

“De diensttijd en de initiële opleiding werden elke keer korter, zodat je militairen onvoldoende opgeleid naar hun eenheden moest sturen. Zo'n eenheid was dus absoluut niet inzetbaar om te worden uitgestuurd naar welk operatiegebied dan ook. We wisten het wel en we probeerden manmoedig de illusie in stand te houden dat het zo'n vaart niet zou lopen. We waren enthousiast over het enthousiasme van dienstplichtigen bij oefeningen, maar we keken te weinig naar wat er professioneel werd gepresteerd.”

Dus het leger was in feite geen leger?

“Ja, eigenlijk was dat zo.”

Ziet u jongeren in het leger als een 'patatgeneratie' die wel de lusten maar niet de lasten wil dragen, laat staan bereid is te sneuvelen?

“Mijn ervaring is dat niet. Ze zeggen dat risico's erbij horen en dat ze dat wisten vóór ze tekenden.”

Maar vinden ze dat echt? Moeten Nederlandse soldaten die alleen maar vrede hebben gekend niet erg wennen aan de echte wereld?

“Ja, maar ten eerste is er nu een strenge selectie om beroepssoldaat te worden en ten tweede is er een vrij harde opleiding. Daar vallen nog mensen af, die zich de zaken mooier hadden voorgesteld. In het leger tref je dus geen gemiddelde van de Nederlandse jeugd aan.”

Gelooft u dat Nederlandse jongeren vijftig jaar na de Tweede Wereldoorlog het risico mijden op het moment dat het er echt op aan komt?

“Dat heb ik absoluut niet geconstateerd bij eenheden die we hebben uitgezonden. Er zijn er altijd een paar die de dans proberen te ontspringen als puntje bij paaltje komt, maar dat zijn zeer lage percentages en vaak zijn het mensen waarmee al wat aan de hand is.”

Hoe geeft u een bevel?

Als ik een opdracht geef, hoop ik het zo te doen dat de ontvanger begrijpt dat het niet anders kan.''

Om de pil te vergulden?

“Om je niet te laten verrassen door reacties en emoties. Die probeer ik in te calculeren.”

In uw boek schrijft u dat u in 1992 in deze krant doelbewust 'chaos' aankondigde als de politiek de dienstplicht te abrupt zou beëindigen en dat dat stuk u meteen de door u gewenste status in de krijgsmacht opleverde. Maar voor hetzelfde geld was u eruit gevlogen. U kon toch niet weten hoe het zou uitpakken?

“Ik was geschokt door de gigantische veranderingen en bezuinigingen en gedwongen ontslagen die ik als bevelhebber moest uitvoeren.Om dat goed te kunnen doen moesten de mensen vertrouwen in mij hebben. Maar in de rest van het leger, zeg maar ten oosten van Voorburg, hadden 'Haagse generaals' een slechte naam, want die hebben zich geëncanailleerd met de politiek en praten recht wat krom is. In de ogen van de rest van het leger hoorde ik bij die kliek en als dat zo bleef, zou de hervorming in geen honderd jaar lukken. Ik moest dus het personeel ervan overtuigen dat ik voor hun belangen stond. Dat was mijn rode draad.

“Maar ik heb dat stuk in NRC Handelsblad vooral geschreven omdat ik echt nijdig was. De minister liet vertrouwelijke dingen uitlekken en het dreigde een politiek feit te worden dat de overgangsperiode [tussen een dienstplichtigen- en een beroepsleger] heel kort zou zijn. Dat zou een ramp betekenen dus ik móest wel reageren. En die overtrokken reactie dat generaals zich niet met politiek moeten bemoeien had ik absoluut niet verwacht.”

De historicus Maarten van Rossem zei vorige week in deze krant dat de militairen 'zich het oor van de vredesoperaties hebben laten aannaaien'.

“Ik vind dat een politieke keuze. Militairen hebben die uit te voeren. Zij horen in die discussie niet de boventoon te voeren. Politici moeten wel onze adviezen serieus nemen over militair-technische zaken en risico's voor het personeel.”

Wat vindt u van het cliché dat 'generaals altijd de vorige oorlog voorbereiden'?

“Het slaat niet op de huidige landmacht. Wij voeren loyaal de Prioriteitennota uit. Militairen zijn niet per definitie avonturiers, maar behoudend.

Hebben militairen te weinig voorstellingsvermogen?

“We praten al vijf jaar over hoe het verder moet met de NAVO. Dat blinkt allemaal niet uit door creativiteit, maar het is de vraag of je dat de militairen moet verwijten of ook de politiek.”

Kon u zich 'Srebrenica' voorstellen

“De dramatisch afloop had ik me niet voorgesteld.”

Omdat het uw bevattingsvermogen te boven ging, of omdat u er niet serieus rekening mee hield?

“De mogelijkheid stond op de lijst, maar de kans dat zoiets zou gebeuren hadden we laag ingeschat.”

Gelooft u dat Nederlandse militairen daar voldoende van hun taak doordrongen waren: mensen beschermen?

“Het is bijna niet uit te leggen dat je daarheen wordt gestuurd om moslimvluchtelingen te beschermen, maar dat je niet mag vechten en alleen door je aanwezigheid bescherming moet bieden. Dat ze dat niet allemaal hebben begrepen haal je de koekoek.”

Had dat ook te maken met het principe dat er daar geen good en bad guys zijn, maar twee of drie partijen waar je tussen gaat staan in de hoop dat ze elkaar niet in de haren vliegen?

“We hebben steeds benadrukt dat we onpartijdig moesten zijn.”

Maar als zo'n standpunt geopolitiek is te verdedigen, is het dat ook als een bewapend persoon tegenover een weerloze staat?

“Het punt was juist dat de moslims zich niet lieten ontwapenen en zelfs via smokkelroutes steeds beter werden uitgerust. In 1994 hadden ze nauwelijks uniformen en belabberde wapens. Een jaar later hadden ze prachtige gevechtslaarzen, kalasjnikovs, mortieren en anti-tankwapens.”

Het ging dus eigenlijk steeds beter in Srebrenica?

“Voor de moslimstrijders wel. Ze voerden ook het aantal uitvallen vanuit de enclave steeds op.”

Maar met de vluchtelingen ging het niet beter.

Nee. Dutchbat zag dat het gemeentebestuur hulpgoederen voor vluchtelingen op de zwarte markt verkocht en het geld in eigen zak stak. De leiders trokken zich niets van de vluchtelingen aan. Zo gingen de moslims met elkaar om.''

Dus u vindt de anti-moslim-sentimenten bij Dutchbat ...

“ ... heel begrijpelijk.”

Denkt u dat die sentimenten Dutchbat in de laatste dagen van Srebrenica parten hebben gespeeld?

“Nee.”

Dat Nederlandse soldaten op grond van zulke sentimenten dingen hebben nagelaten om mensen te helpen?

“Absoluut niet. Veel mensen zijn twee dagen continu in touw geweest om de ernstigste nood te lenigen. Vooral onder vrouwen en kinderen, want de meeste mannen waren naar het westen van de enclave gevlucht in de hoop Tuzla te bereiken.

Wat dacht u toen u Dutchbat-commandant Karremans eerder deze maand voor het VN-tribunaal in Den Haag hoorde verklaren dat hij er niet aan had gedacht Mladic te vragen wat er met die moslimmannen was gebeurd?

“Ik weet niet wat er met hem is gebeurd. Wat ik wel heb geleerd is dat je na zes maanden in zo'n situatie niet meer openstaat voor prikkels van buiten. Het is alsof je door een koker naar de wereld kijkt en alleen nog registreert wat er aan het einde is. Tunnelvisie. Het is goedkoop en gemakkelijk om met meetlatjes van hier te roepen: schandalig Karremans, je had toch! Ja, met onze maatstaven zeg ik: inderdaad, natuurlijk had hij.”

In uw boek gebruikt u voor de commandanten die Karremans voorgingen het woord 'professioneel', maar in de passages die over hemzelf gaan, laat u die kwalificatie weg.

“Karremans zat in een onvergelijkbare situatie ten opzichte van zijn voorgangers. Daarom wil ik hem niet met hen vergelijken.”

Hoe zou u daar zelf hebben gefunctioneerd?

“Om te beginnen was niemand in staat om er een andere afloop aan te geven, omdat de generaal Mladic een duidelijk plan had die enclave te veroveren. De VN konden daar geen tegenwicht aan geven. Welke commandant er ook had gezeten, het was altijd dramatisch afgelopen.”

In uw boek schrijft u dat u minister Voorhoeve afried om de VN de VN te laten en een eigen koers te varen. Zei u toen bij uzelf: ...wij zijn niet moedig?

“Er was geen andere keuze. Als je deelneemt aan zo'n onderneming, weet je dat je de verantwoordelijkheid overgeeft aan de VN-commandanten ter plaatse, die tien keer beter kunnen oordelen dan 'Den Haag'.”

Voelde u zich op dat moment bevelhebber?

“Nee. Je voelt je machteloos.”

Kwam het niet in u op om te zeggen: ik beslis als bevelhebber van de Nederlandse landstrijdkrachten dat mijn soldaten, al is het met de moed der wanhoop, iets ondernemen?

“Dat is echt waanzin. Ik had daar natuurlijk al veel eerder over nagedacht. Als het moment suprême komt, weet je dat dat geen optie kan zijn.”

U heeft meerdere keren gedreigd om op te stappen, maar u deed het nooit. In 1993 noemde u 'Srebrenica' een 'mission impossible'. Was dit nu geen goede gelegenheid om te zeggen: tot hier en niet verder?

“Nee. Waarom niet? Omdat ik zeker wist dat het besluit niet zou worden teruggedraaid. Dan zou mijn opvolger over die zogenaamde 'mission impossible' moeten zeggen: een eervolle opdracht, mannen! Dat zou ongeloofwaardig zijn als zijn voorganger daarvoor zijn pet aan de kapstok zou hebben gehangen. De troepen móesten erheen. Als zij wisten dat hun hoogste generaal het absoluut niet zag zitten, hoe kan je ze dan nog motiveren? Dat speelde mee.”

Voelde u zich burgemeester in oorlogstijd?

“Nee, dat is loyaliteit aan de politiek. Dan moet je je bezwaren inslikken en de opdracht loyaal uitvoeren.”

Was u naïef? Geloofde u niet dat Mladic Srebrenica wilde oprollen?

“De Canadezen hadden er al een jaar gezeten. De militaire balans werd gunstiger voor de moslims. Ik dacht: het loopt zo'n vaart niet. Dat het bataljon daar vreselijk zou worden getreiterd was mij helder en dat heb ik steeds gezegd. Maar ik vond het niet onverantwoord Nederlandse eenheden te sturen. De risico's waren acceptabel.”

Srebrenica was de testcase voor uw totaal hervormde landmacht. En dat loopt dan uit op een ramp.

“Zo heb ik dat nooit ervaren. De Nederlandse bataljons in Srebrenica hebben internationale waardering gekregen. Ik zie dat niet als een knal voor de professionalisering van de Koninklijke Landmacht. Het is een ramp dat honderden Nederlandse VN-militairen nog altijd niet hun traumatische ervaringen hebben kunnen verwerken.”

En heeft u achteraf gedacht: ik ben medeverantwoordelijk voor het sturen van deze machteloze soldaten, dus moet ik nu opstappen?

“Nee, ik ben er om politieke beslissingen uit te voeren. Ik voel me niet verantwoordelijk voor die wandaden daar. Ik voel me alleen gefrustreerd dat die verschrikkelijke dingen zijn gebeurd zonder dat VN-militairen daar iets tegen konden doen.”

Het is dus geen kwestie van geschonden militaire eer?

“Nee.”

Hoe nu verder?

“Of het een militair uitvoerbare opdracht was heeft destijds heel weinig aandacht gekregen. De Tweede Kamer heeft nu laten weten dat daar beter op moet worden gelet.”

Toen er kortgeleden sprake was van mogelijke deelname aan een VN-macht in Burundi, was de Nederlandse reactie: dat doen we niet. Maar is dat niet ook de gemakkelijkste reactie als aan de andere kant van de aardbol misdaden tegen de menselijkheid worden bedreven?

“Ja. Maar ik vind alleen dat je pas militairen kunt sturen als er duidelijke resoluties zijn waarmee ze kunnen optreden. De resoluties die de Veiligheidsraad van de VN voor Burundi heeft afgegeven zijn ook weer zo vaag en slap dat je er niks mee kan. Je zou dus opnieuw met gebonden handen moeten toezien hoe ze elkaar afslachten.”

Komt het nog goed tussen u en minister Voorhoeve?

“Ik heb ontzettend veel respect voor de mens Voorhoeve. Hij is integer en hardwerkend en hoogstaand. Ik heb alleen kritiek op zijn functioneren als minister.”

Heeft u het gevoel dat u miskend bent en unfair bent behandeld?

“Voorhoeve en zijn staatssecretaris Gmelich Meijling zijn na hun aantreden een enorm doelmatigheidsproces begonnen. Dat kwam nog over de lopende reorganisatie heen. Ik heb ze gevraagd de tijd te nemen om dit eraan te vlechten, want anders zou het personeel het echt niet meer begrijpen. Ik vond het jammer - en dan druk ik me zwak uit - dat daar nooit enig begrip voor is geweest; het werd de deur door gesmeten en ik moest dat allemaal in goede banen zien te leiden.”

Hadden die ruzies met uw persoonlijkheid te maken? Hadden ze eigenlijk de pest aan u?

“Nee, dat dacht ik helemaal niet. Het had meer te maken met de verkokering van het ministerie. Voorhoeve deed VN- en NAVO-zaken. De krijgsmacht-intern viel onder de staatssecretaris en die had maar een doel voor ogen: ik moet die 450 miljoen halen. Ik stond dat in de weg.

Twijfelde u als VVD'er aan uw politieke overtuiging? U had vaak ruzie met VVD'ers en u had bewondering voor PvdA'ers als oud-minister Vredeling en Stemerdink.

“Ik betaal contributie voor de VVD en dat is het. Ik ben geen partijman. Ik heb nog steeds contact met een PvdA'er als Harry van den Bergh [oud-defensie-woordvoerder]. We hebben respect en waardering voor elkaar, zonder dat we het altijd met elkaar eens zijn. Zakelijke verschillen van mening moet je niet op de persoon spelen.”

Wie is uw lievelingsgeneraal?

“Nou nee, ik heb daar geen ...”

Maar als u moet kiezen, met het pistool op de borst?

“Ik lees met verbazing en bewondering wat sommige Amerikaanse generaals hebben gedaan, maar dat kun je niet vergelijken. Nee, ik zou niemand weten.”

Wat vindt u van de militair Mladic?

“Een schurk en een oorlogsmisdadiger.”

U zou hem dus geen 'groot strateeg' noemen, zoals Karremans deed, na de val van Srebrenica?

“Nee. Aan de andere kant: hij is buitengewoon slim en als militair moet je daar enige waardering voor opbrengen, maar daarnaast is het zo'n beest van een mens en een verknipte persoonlijkheid, dat dat voor mij al het andere overheerst.”

U zegt dat militairen over leven en dood beschikken. Heeft u dat wel eens echt moeten doen?

“Nee, ik heb nooit in zo'n situatie verkeerd. Gelukkig maar.”

Schaamt u zich wel eens dat al die gruwelen zijn bedreven in de nabijheid van Nederlandse militairen?

“Schaamte, nee. Want wat kon je ertegen doen? Het is natuurlijk verschrikkelijk. Een aantal mensen heeft zich gerealiseerd dat er in hun nabijheid werd geëxecuteerd. Het is vooral opnieuw een enorm gevoel van machteloosheid.”

    • Hans Steketee