Een wonderlijke afwijking

KAREL DAVIDS & JAN LUCASSEN (eds.): A miracle. The Dutch Republic in European Perspective

539 blz., geïll., Cambridge University Press 1995, ƒ 156,20

Onvermoeibaar ratelen de drukpersen in de laatste jaren bij het verwerken van de manuscripten over de geschiedenis van ons land tijdens de Republiek, ruwweg het tijdperk tussen 1500 en 1800. Het gaat dan niet alleen om de werken van grote auteurs als Jonathan Israel, Simon Schama, Jan de Vries en Ad van der Woude, maar ook om de bijdragen in de vorm van artikelen, publieksboeken en proefschriften, niet zelden van jonge schrijvers uit binnen- en buitenland. Wie daar als schrijver of lezer nog de weg in wil vinden, moet een helder hoofd en een vaste hand bezitten.

Bij een terugblik vallen de verbreding en verdieping op. De verbreding slaat op de thematiek, die zich van de politieke, de kunst- en de economische geschiedenis is gaan uitbreiden naar de sociale, financiële, techniek-, mentaliteits-, stads- en regionale geschiedenis en de geschiedenis van materiële cultuur. Verdieping treffen we aan in de benutting van theorie en kwantificering door de genoemde subdisciplines, alsmede de verwerking van primaire bronnen uit de archieven.

Af en toe is er behoefte aan een pas op de plaats om de afgelegde weg in ogenschouw te nemen. Dit vormt stellig een rechtvaardiging voor de boven aangekondigde bundel opstellen. Deze heeft bovendien het bijzonder karakter nieuw licht te werpen door de toepassing van de comparatieve methode. Nu is dit bepaald niet iets opzienbarends. Wie het verleden van een klein land als het onze aan de orde stelde, kon er ook eerder al niet aan ontkomen vergelijkingen te trekken met de omringende, meestal ook grotere landen. In dit boek bestaat het opmerkelijke er tevens in dat men systematisch is gaan vergelijken dan voorheen en dat men zich wijselijk heeft beperkt tot een klein aantal kernthema's en een niet te groot aantal Europese landen.

Kernproblemen

Werk voor specialisten! Het aantal in deze bundel is veertien, van wie acht Nederlandse, drie Engelse, twee Duitse en een Belgische, met een gemiddelde leeftijd van 47 jaar, een ieder op zijn of haar (twee vrouwen) terrein ervaren en vatbaar voor samenwerking. Er is hiertoe een hele scala benut van notities, conferenties en themagroepen waarin het Netherlands Institute of Advanced Studies te Wassenaar als ontmoetingscentrum een voortreffelijke rol heeft gespeeld.

Wat heeft al die activiteit nu opgeleverd? Het centrale thema van het boek vormt de originaliteit van de Republiek, zoals die door tijdgenoten en latere waarnemers is bezongen en in 1673 door de Engelse ambassadeur in de Republiek, Sir William Temple, werd verwoord als “the fear of some, the envy of others and the wonder of all their neighbours” - een klassiek geworden zinsnede. Zonder uitputtend te willen (en kunnen) zijn is een zestal kernproblemen gekozen voor een nadere analyse van het centrale thema: 1. de vorming van de Republiek in een tijd van bloei van dynastieke staten; 2. de bestendigheid van haar politieke structuur in ruim 200 jaar, terwijl omringende landen naar nationale staten groeiden; 3. de relaties tussen kerk en staat in het contrast van nauwe elders en veel lossere in de Republiek; 4. de geletterdheid vanaf het niveau van kunnen lezen en schrijven, die nergens zo is voortgeschreden; 5. de verbluffende en unieke artistieke produktie en consumptie, vooral van schilderijen en 6. de economische ontwikkeling, niet alleen vanuit het gezichtspunt van groei en overvloed maar ook van technologie.

In ieder van de navolgende bijdragen weerspiegelt zich het wonder van de Republiek. Henk van Nierop laat verhelderend licht schijnen op de overeenkomsten en verschillen in de politieke en religieuze situatie van de Republiek en Frankrijk in de zestiende eeuw. Marjolein 't Hart legt een genuanceerde nadruk op de betekenis van de urbanisatie voor de politieke ontwikkeling met daarin ruime aandacht voor de gecompliceerde fiscale aspecten. Marc Boone en Maarten Prak vullen hierop aan met een tot de twaalfde eeuw teruggaande beschouwing over het stedelijk verzet, respectievelijk van burgers tegen vorsten en van burgers tegen stedelijke elites. Twee artikelen vormen daarna zuiver comparatieve case-studies, Olaf Mörke ten aanzien van de Republiek en Duitsland, in het bijzonder Brandenburg-Pruisen en Hamburg, en William Speck voor Engeland en de Republiek.

Naar een top gaan we wanneer aspecten van de culturele evolutie worden belicht. Om te beginnen door Wiebe Bergsma over kerk, staat en volk in de Republiek, met de opmerkelijke bevinding dat niet het ontstaan van godsdienstige pluriformiteit en religieuze tolerantie bij ons exceptioneel was, maar meer nog het voortbestaan daarvan na het einde der zestiende eeuw. Een schitterend exposé is daarna van Margaret Spufford, die de geletterdheid in de commerciële Europese centra vergelijkt en tot de onderbouwde these komt dat de belangrijkste stimulans ertoe niet de protestantse religie maar de economische noodzaak was. In een hoge vlucht en toch dicht bij de aarde blijven we ook bij Michael North die de schilderkunst en de handel in schilderijen relateert. En inderdaad, als nergens anders was de kunsthandel doortrokken van een commerciële attitude, zoals in handel en industrie in het algemeen, en van een gezindheid tot het invoeren van technische innovaties.

Facetten van de economische ontwikkeling komen in het slotdeel aan de orde, wat bevorderlijk is voor de afwisseling. Peter Sufford toont met de hem eigen grondigheid aan dat de evolutie van de geld- en kapitaalmarkt bij ons eerder qua schaal dan naar aard afweek van die der voorgangers als Venetië, Augsburg en Antwerpen. Het wekt geen verbazing, maar is wel instructief dat hetzelfde opgaat voor de verschuiving van het technologische leiderschap naar de Republiek, die Karel Davids voorbeeldig analyseert. Gaat het over echt diepgaande verschillen met voorgangers en rivalen, dan heeft Jan Lucassen een sterk bod ten aanzien van de factor arbeid, en wel wegens de accenten op vrije, mobiele arbeid, ook uit het buitenland betrokken, en het ontstaan van een functionerende, sterk gesegmenteerde arbeidsmarkt. Zonder dit was het Nederlandse economische mirakel niet denkbaar geweest. Leo Noordegraaf en Jan Luiten van Zanden concentreren zich ten slotte op de levensstandaard en geven weloverwogen steun aan de opvatting dat deze in de Republiek tijdens de bloeitijd hoger dan elders was en nadien afbrokkelde. Meer gedetailleerde studies blijven evenwel noodzakelijk.

Mirakel

Aan de bijdragen gaat een inleiding vooraf en zij worden besloten met een conclusie van Davids en Lucassen. Beide zijn aan de lange kant maar zullen hun didactisch effect op vakman en leek niet missen. Zij nodigen uit tot meedenken en dragen elementen aan voor onze beeldvorming van het verleden in de zin van de altijd weer onontkoombare behoefte tot synthese. We weten dat die eigenlijk niet mogelijk is maar kunnen het niet laten. Zo ook hier. De Republiek dan ontstond als een afwijking van de algemene trend tot opkomst van dynastieke staten en zij bezweek aan de eveneens algemene trend tot de vorming van gecentraliseerde nationale staten. Tussen die twee tijdstippen was de Republiek ten opzichte van voorgangers en rivalen uniek in de schaal zowel als in de combinatie van de ontplooide politiekem culturele en economische activiteiten. Wat dit land in alle opzichten en meer dan elders zijn ruggegraat gaf, was zijn netwerk van grote en kleine, onafhankelijke steden, het onuitputtelijke reservoir van politieke, culturele en economische vaardigheden en inspiratie.

Wie zowel op inspannende als ontspannen wijze wil kennis maken met het fenomeen van de Republiek in haar bloeitijd en nadien, of zijn kennis wil bijwerken, is dankzij dit boek in één keer op de hoogte, hetgeen in ieder geval een klein mirakel genoemd mag worden. We mogen hetzelfde wel vaststellen ten aanzien van de typografie en correctie van dit werk die voor een optimale toegangelijkheid zorg dragen. We zijn het gewend van de Cambridge University Press maar het blijft te loven.

    • Joh. de Vries