Een intelligentere weg naar boven

Op het Griekse cycladen-eiland Tinos staat een enorme kerk, aan het eind van een vanaf de haven langzaam stijgende weg. In die kerk wordt een wonderdoende ikoon van de moeder Gods bewaard, die op wonderbaarlijke wijze gevonden is door een non. Een onafgebroken stroom pelgrims trekt naar Tinos om de ikoon te kussen, om de zegen en de hulp van de Moedermaagd af te smeken, om boete te doen.

Het schijnt dat er vaak mensen op hun knieën de hele lange weg naar boven afleggen, waarbij die knieën natuurlijk afschuwelijk kapot gaan. Gelukkig heb ik dat niemand zien doen, want ook al is het zelf opgelegd, het blijft wreed en verschrikkelijk. Nog erger wordt het als een vrouw omhoog kruipt terwijl haar man of zuster er langzaam naast of achter loopt, wel gewoon op de voeten. Wat zou zo'n vrouw gedaan kunnen hebben om zo'n openbare straf te verdienen?

Die kerk en de houding van de gelovigen ertegenover is niet beïnvloed door welke ontkerkelijking of modernisering dan ook. Het is niet meteen iets om naar terug te verlangen, die strenge orthodoxie. Het is een manier van geloofsbeleving die ontegenzeggenlijk iets primitiefs heeft - en toch, ondanks dat, is het ook net of je iets echts te zien krijgt, misschien juist doordat veel eraan zo eenvoudig en traditioneel is.

In de kerk zelf komen almaar vrouwen (weinig mannen) naar voren die knielen, zich bekruisen, de ikonen kussen en de dienstdoende kerkdienaren briefjes in de hand stoppen waarop verzoeken staan. Eén vrouw had zelfs iets voor de maagd gebakken, een hartvormige koek, die ze verpakt had in zilverpapier. Ze reikte hem met een bijna smekend gebaar aan. Je eigen hart brak voor haar als je naar haar keek, haar armoedige kleren, haar nederige maar hoopvolle houding - wie weet van hoe ver ze was gekomen en hoe ze had toegeleefd naar deze dag. Maar wie weet trouwens ook wat deze dag haar opleverde, hoe gelukkig ze misschien later de kerk weer verliet.

Het was een van de momenten waarop ik dacht: kon ik maar geloven. Kon ik maar op dezelfde manier knielen en vertrouwen in iets, geloven in het grotere, oudere, eeuwige dat in deze kerk tot uitdrukking wordt gebracht. Het lijkt soms of er iets verloren is gegaan, of men voor altijd buiten iets gesloten is - maar wellicht is dat ook precies wat niet anders kan en niet anders gewenst wordt. Heimwee naar het onbekende heet een dichtbundel van Rutger Kopland. Misschien is het dat. Het is levend geloof, wat men daar ziet. Er wordt niet geapplaudisseerd, zoals Hans Ree onlangs (NRC HANDELSBLAD, 2 juli) schreef meegemaakt te hebben bij een processie in Laren, waar de gemeente zichzelf aan een stuk door leek te feliciteren met het instandhouden van een mooie oude traditie. Op Tinos wordt niets instandgehouden, het is er gewoon, het zou de grootst mogelijke moeite kosten om het weg te krijgen.

Het schijnt een erg modieus gevoel te zijn, deze ontroering bij de geloofsbeleving van anderen. Alle kranten en tijdschriften roepen om het hardst dat bekeren vreselijk in is en dat iedereen weer naar God zoekt. De reële aantallen bekeerlingen vallen overigens nogal mee (of tegen, net hoe men wil), de kerk stroomt nog altijd langzaam leeg.

Toch heeft ook menigeen zich alweer tegen deze 'mode' verzet, en vooral intellectuele bekeerlingen en degenen die niet geloven maar toch wel wat in het geloof zien, kunnen er van langs krijgen. Juist zij roepen het verwijt over zich af dat ze esthetisch of hedonistisch of verwend met het geloof omgaan. Dat ze niet alles nemen, maar kieskeurig zijn. Verlicht zijn mag, maar dan ook anti-kerkelijk zijn. Niet een beetje op eigen houtje en met gebruikmaking van het eigen verstand de krenten uit de kerkelijke cake pikken. Dat nemen anti-gelovigen niet. Die komen altijd met de meest primitieve vorm van geloof op de proppen en proberen de anderen te dwingen toe te geven dat dat het enige, ware gezicht van het geloof is.

Wie naar de kerk wil, wordt zodoende al bijna medeschuldig aan de inquisitie en aan alle wreedheden ooit door, of uit naam van de kerk begaan. Want de Middeleeuwen liggen dan ineens nog vers in het geheugen. En anders is er altijd nog de paus die ontegenzeggelijk walgelijke uitspraken heeft gedaan, maar die met deze hele discussie toch weinig te maken heeft.

Kerk en geloof zijn iets anders, en veel meer, dan de paus. Zoals iemand van, bijvoorbeeld, Israel kan (blijven) houden, ook al zijn daar regeringen aan de macht die er niet voor terugdeinzen Palestijnse vrouwen en kinderen te laten neerschieten. Want Israel en alle mensen die er wonen en wat dat voor hen betekent, dat is niet hetzelfde als de Israelische regering en haar politiek. Zo is het enorme reservoir aan religieuze en mystieke teksten, filosofische overwegingen met betrekking tot God en goddelijkheid, kerkelijke rituelen en behoefte aan inkeer of spiritualiteit niet hetzelfde als de pauselijke politiek.

Het is eigenaardig dat juist intellectuelen of hoger opgeleiden zich niet mogen bekeren, omdat die, zoals Rudy Kousbroek gisteren in het Cultureel Supplement schreef “beter moeten weten”. Beter dan onverzoenlijke, primitieve godsdienstige uitingen - natuurlijk. Er is nog geen enkele bekeerde intellectueel gehoord die de ongelovigen de oorlog wilde verklaren. Het is niet verboden om een intelligent en verstandig mens te blijven en toch in God te geloven, het is niet verplicht om te veranderen in een boerenvrouw met een zilveren hart. Het lijkt me ook niet verkeerd om door haar ontroerd te raken, en evenmin om jaloezie te voelen op haar overgave, haar vermogen om op te gaan in het ritueel.

Het is een beetje raar om iedereen die belangstelling heeft voor het geloof of die er iets bij voelt meteen te verplichten zelf te geloven. Dat lijkt op de feministische dwang in de jaren zeventig om lesbisch te worden als je feministisch wilde zijn, anders was het niet serieus. Ik was ontroerd door het geloof van de vrouw met het zelfgebakken zilveren hart, maar ik wil niet op mijn knieën naar boven kruipen en ik wil liever ook niet dat iemand anders dat doet. Er zijn andere, intelligentere wegen naar boven. Eens kijken hoe hoog we komen.

    • Marjoleine de Vos