Een bekeerling

Hij is zo'n man die je alleen opgetogen ziet als er iets niet deugt, als de overheid weer iets verkeerd heeft gedaan, de fietsers zonder achterlicht rijden, er een dode muis in het melkkarton zit. Een hedonist van mopperlust. Eergisteren zag ik hem op straat, veerkrachtige tred, fluitend zelfs.

Voor het eerst was het volgens het weerbericht van de vorige avond mooi weer geworden. Daar kon het dus niet aan liggen. Hij moest wel een behoorlijke misstand hebben ontdekt, iets ten hemel schreiends dat hij zo vlug mogelijk bekend wilde maken, aan de kaak stellen, maar nu was hij zich nog even aan het beheersen om langer te genieten van de voorpret.

“Wat is er?” vroeg ik terwijl ik me erop voorbereidde zijn stijgende woede te delen. “Een heel verhaal” zei hij. “Heb je even tijd?” “Zeker”, zei ik. Voor iets dat alle perken te buiten gaat moet je geen haast hebben. We gingen op een terras zitten en bestelden koffie. “Is het erg?” vroeg ik. “Ik moest in X zijn”, begon hij en noemde een kleine stad in Drenthe. X! Om een of andere reden voorspelde dat al niet veel goeds.

“Je weet: er gaat geen trein naar X. En dan moest ik in zo'n verre nieuwe buitenwijk zijn, met straten die ze idiote namen hebben gegeven. Die naamgevers van de gemeente moeten ze ook eens vervangen. Dat valt toch onder Nuis? In ieder geval, ik moest op Aalbes 66 zijn. Eerst het centrale woonerf vinden, Peer heet dat, en Peer wordt dan omringd door een cluster van bessen. In andere oorden zijn ze nog bij de vogels maar hier heeft een genie de bessen ontdekt. Nou, je weet, nieuwe buitenwijken zijn toch al onvindbaar, laat staan Aalbes 66. Dus: hoe moest ik daar komen! Toen zei iemand: dan moet je de 06-9292 bellen. Dat heb ik gedaan. Ik zei: kunt u mij vertellen hoe ik in X kom? Waar in X? vroeg die man. Ik zei: Aalbes 66. Je hoort het jezelf zeggen, je hoort die man aan de andere kant denken: een gek. Maar hij zei: Eén seconde. En toen: U neemt de trein van 14 uur naar Y, daar bent u om 15 uur 3, dan staat daar bus 62, die vertrekt om 15 uur 12, dan bent u om 15 uur 22 op woonerf Peer en dan is het nog twee minuten lopen naar Aalbes 66. Ik zei: Woont u daar? Nee, zei hij, dat zie ik in mijn computer. Hoe vind je dat?”

“Niets blijft geheim, het lijkt Orwell wel!” zei ik, hopend op zijn commentaar vooruit te lopen. “Waren er veel wachtenden voor je?” “Hoe komt het toch dat jij altijd meteen zo negatief bent? Het is toch een wonder dat je binnen een paar seconden tegen betaling van twee kwartjes door de telefoon kunt horen hoe je het best naar Aalbes 66 kunt reizen!” Hij keek geërgerd.

Kennelijk had de moderne tijd mijn vriend veranderd. Ik probeerde hem weer in zijn humeur te brengen met het verhaal over de man uit Sappemeer die naar Peking wil en tegen de lokettist zegt: “Enkele Peking!” Dat hebben ze niet, hij kan naar Bremen. Daar koopt hij een enkele Berlijn, dan een kaartje naar Moskou en zo komt hij van lieverlee in Peking. Na een week gaat het hem daar vervelen, hij gaat naar het station, het loket en zegt: “Enkele Sappemeer.” De lokettist vraagt: “Sappemeer West of Sappemeer Oost?” “Ja, die kende ik al.” Hij vertrok geen spier. We namen afscheid. Een bekeerling, dacht ik.

Dit ware verhaal brengt me weer op de Thalys, de hogesnelheidstrein die je in één dag van Amsterdam naar Parijs en terug brengt. In deze krant van 11 juli staat op de opiniepagina een artikel van Geert Mak over dit spoorwegwonder. Over het algemeen ben ik het met Geert Mak eens, of sterker: hij hoort tot de weinigen die ik met onverminderde gretigheid lees. Ook deze beschouwing is interessant, maar dat komt voor een deel doordat de schrijver zich tot woordvoerder maakt van een courant misverstand. De Thalys, schrijft hij, is 'propaganda op wieltjes', en 'reizen met de Thalys is het lepelen van rose bluf.'

Ook al omdat ik geen kwaad woord over deze trein kan horen, spreek ik dat tegen. Het is waar: tussen Amsterdam en Brussel is de reis er niet veel korter door geworden maar dat ligt niet aan de Thalys. Het is de schuld van de Belgische en de Nederlandse regeringen die er jaren en jaren over hebben gedaan om erachter te komen dat een snelle trein pas hard kan rijden als de rails dat toelaten. Als je met een Porsche over een karrespoor niet harder dan 30 kunt rijden dan ligt het aan het karrespoor en niet aan de auto. Als de Thalys tot Brussel niet sneller gaat dan is dat in feite een aanklacht tegen alle ministers en volksvertegenwoordigers die er tien jaar over hebben gedaan om te begrijpen dat je een prachtige trein niet kunt afschepen met trajecten uit de vorige eeuw. Roadbeds, the real key to higher speeds!

Het is waar: het treinpersoneel komt door de intercom niet uitgepraat. Er komt geen einde aan de aanmoedigingen om bij het verlaten van de trein al je bagage mee te nemen. Maar dat krijg je op locale trajecten ook allemaal te horen. Reizigers voor Alphen aan de Rijn alsmede Gouda dienen hier over te stappen en hun eigendommen mede te nemen. Beschouw het als iets dat je op de koop toe krijgt als je langs de kortste weg naar Aalbes 66 gaat. En dan is er in de Thalys nog iets dat voor de liefhebbers niet te versmaden valt. Tot Brussel hoor je het Nederlandse personeel Frans spreken. Dan komt er een nieuwe bemensing aan boord: Fransen die je in het Nederlands vertellen wat je met je eigendommen moet doen. Niet te geloven, en dat allemaal terwijl je met 300 kilometer per uur door, langs, over het heuvellandschap raast. De paradijzen beginnen en eindigen in de stations.

    • S. Montag