De stad als theater

LODEWIJK BRUNT: Stad

223 blz., Boom 1996, ƒ 36,50

In het najaar van 1849 begon de journalist Henry Mayhew in de Londense Morning Chronicle met een ambitieus project: een reeks 'reisbrieven' uit de onbeminde en gevreesde wereld der armen. Onverbloemd schreef hij over naaisters, sjouwers, weesjongens en andere Dickensfiguren, en door middel van talloze citaten gaf hij ze letterlijk een stem. Hij beschreef het leven van rattenvangers, venters van varkenspoten, schoorsteenvegers, koetsiers en strandjutters - degenen die aan de oever van de Thames tot hun middel in de modder rondploeterden en alles verzamelden wat maar enige waarde had, van drijfhout tot lijken van zelfmoordenaars.

Na een conflict met zijn krant ging hij op zijn eigen houtje door met het in kaart brengen van de Londense onderklasse. Fascinerend is bijvoorbeeld zijn onderverdeling van het bedelaarsgilde in subcategorieën: 'respectabele bedelaars' (bijvoorbeeld arme schrijvers), 'rampenbedelaars' (bijvoorbeeld schipbreukelingen), 'lichamelijk gehandicapte bedelaars' (bijvoorbeeld blinden of stommen), 'uitgehongerde bedelaars', 'handeldrijvende bedelaars', 'muzikale bedelaars' en 'bedelende vreemdelingen'. Met dezelfde ijzeren systematiek maakte Mayhew indelingen van oplichters, dieven - bijvoorbeeld de 'skinners', vrouwen die erin gespecialiseerd waren om rijke kinderen letterlijk uit te kleden - en andere straattypes.

Plezier

Mayhew noemde zichzelf een 'reiziger in het onontdekte land van de armen', maar hij probeerde meer te zijn. In zijn studie The Great World of Londen deed hij een manhaftige poging om de stedelijke wereld als geheel te analyseren. Hij beschreef tot in de details de infrastructuur van het Londen van 1860, de huizen, de havens, de straten, de gebouwen en de enorme rijkdommen die ze vertegenwoordigden. Hij hield zich uitvoerig bezig met de interne dynamiek van de stad en de manier waarop de inwoners die beleefden. En niet in de laatste plaats deed hij een poging om de verschillende subculturen binnen het toenmalige Londen te beschrijven, inclusief de sterke contrasten tussen arm en rijk.

Henry Mayhew was een socioloog avant la lettre, een van eerste grote sociale ontdekkingsreizigers, en hij krijgt terecht een ereplaats in het nieuwe boek van de Amsterdamse stadssocioloog Lodewijk Brunt. Het verhaal over Mayhew zet tevens de toon voor de overige hoofdstukken, en die toon is in twee termen te vatten: plezier in het vak, en plezier in de stad.

Ten eerste plezier in het vak. Wie Brunts essay's over Henry Mayhew en over de eerste onderzoekers van de Chicago-school leest krijgt onvermijdelijk zin om er zelf ook op uit te gaan, om te observeren, te analyseren, om weer eens ouderwets veldwerk te bedrijven en niet langer als een 'dikbuikige spin' vanachter het bureau 'spinnewebtheorieën' voort te brengen. En die aanstekelijkheid van dit boek geldt net zo goed voor historici en journalisten - waarmee ook de Chicago-school nauw samenwerkte - als voor sociologen in de pure zin van het woord.

En dan is er het plezier in de stad. In tegenstelling tot de nadruk van andere onderzoekers op de anonimiteit van de stad, en op de vluchtigheid en de onveiligheid, legt Brunt het accent op de stad als spannende ontmoetingsplaats. In zijn essay's over de stedelijke nacht en over het erotische versiergedrag van stedelingen beschrijft hij de stad als één groot theater, een plek waar men een leven lang kan rondkijken en bekeken kan worden.

Soms gaat Brunt in zijn enthousiasme wel erg ver. Ik weet bijvoorbeeld niet of alle vrouwen zijn theorieën over de stedeling als 'jager en verzamelaar' zullen delen. En ook vraag ik me af of hij de ontwikkelingen in de binnenstad niet te idealistisch bekijkt. Hedendaagse binnensteden zijn in de verste verte niet meer te vergelijken met het Londen van Henry Mayhew. Steeds meer aktiviteiten vinden plaats aan de buitenranden - kantoren, mega-bioscopen - en tegelijk gebeuren er vreemde dingen met sommige binnensteden: ze worden stiller, saaier, minder gevarieerd, minder gespecialiseerd, ze 'ontstadsen' als het ware.

Drama

Ook de Amsterdamse binnenstad lijkt zich te ontwikkelen tot één grote 'urban village', en de veelbezongen levendigheid van dit gebied wordt zo langzamerhand nogal eenzijdig: gericht op uitgaan en winkelen, bedoeld voor vrijgezellen en kinderloze tweeverdieners, en weinig geschikt voor mensen onder de twaalf en boven de vijf en zestig. Voor die ontwikkelingen heeft Brunt weinig oog als hij bijvoorbeeld pleit voor een verdere versoepeling van de horeca-sluitingstijden, hoewel juist daardoor de monocultuur van de binnenstad als uitgaans- en pretcentrum nog eens extra wordt versterkt.

Dat neemt niet weg dat Stad een inspirerend en stimulerend boek is over de uiteenlopende aspecten van het openbare domein. “De stad is het gebied waar het menselijke drama, in de ruimste zin van het woord, zich sterker manifesteert dan waar ook”, schrijft Lodewijk Brunt, en voortdurend maakt hij dat opnieuw waar. In zijn essay's over stedelijke intimiteit en tolerantie, in zijn verhalen over criminaliteit, overbevolking en angst voor besmettelijke ziekten, maar ook in zijn analyses van Amsterdam, Hongkong en de Indiase stad Surat. Maar bovenal is Stad een boek waar het plezier vanaf spettert, zowel van de wetenschapper als de ontdekkingsreiziger.