De rechten van werknemers op leeftijd; Krasse krachten

Minstens 45 duizend pensioengerechtigden in Nederland zijn nog steeds betaald aan het werk. Het aantal bejaarden dat loon uit arbeid ontvangt, ligt waarschijnlijk aanzienlijk hoger. Maar werkgevers zien ze liefst vertrekken. Leeftijdsdiscriminatie: na promotie volgt demotie.

Hij woont letterlijk op twee meter afstand van zijn werkgever, de Gereformeerde Kerk in het Friese Zwaagwesteinde. Dat heeft zo z'n voordelen, beaamt hij. “Je kunt altijd even binnen wippen om een oogje in het zeil te houden.” Yme Schaafsma (73) is koster van beroep: hij onderhoudt de kerktuin en de rozenperkjes en zet de stoelen klaar voor de maandelijkse vergadering. Zijn vrouw doet van tijd tot tijd de hoekjes, de toiletten en de ramen. Zo gaat het al achttien jaar lang.

Schaafsma: “Op mijn 65ste verjaardag vroeg men: 'Yme, wat is de bedoeling?' Ik kon maar één ding bedenken: doorwerken natuurlijk. Waarom zou ik, een vitale vent, stoppen met werken? Ik voldeed toch prima?” Omdat hij nu eenmaal een dagje ouder werd, kwam hij met een voor de kerk aantrekkelijk voorstel: ze hoefden hem nog maar de helft van zijn salaris uit te betalen. Met zijn pensioen erbij zou hij het wel redden verder. “Het was een mondelinge overeenkomst, ik heb geen contract ondertekend. Toen ik zeventig werd hebben we de situatie nogmaals geëvalueerd en toen kwamen we tot dezelfde conclusie: het gaat nog best. Als mijn gezondheid het toelaat werk ik de komende jaren gewoon door.”

Yme Schaafsma behoort tot de 45 duizend pensioengerechtigden die nog werken in Nederland - als zelfstandige of in loondienst (CBS, 1993). Vijfenzestig-plussers die wel verdienen, maar wier voornaamste inkomensbron bestaat uit pensioen of een uitkering, laat het CBS buiten beschouwing. Vandaar dat het aantal bejaarden dat loon uit arbeid ontvangt, waarschijnlijk aanzienlijk hoger ligt.

Schaafsma beseft dat hij geen doorsnee oudere is. De meeste van zijn vrienden zijn al jaren geleden gestopt met werken. Toch: “Voor mij is werk een vorm van genieten, want niemand zit mij achter de broek. Hoe vaak hoor je niet dat mensen in een zwart gat vallen wanneer ze van de ene op de andere dag worden gedwongen te stoppen met werken? In mijn ogen is dat gewoon discriminatie.”

De Fries is niet de enige oudere die er zo over denkt. Ook de Amsterdamse psychiater A. van Dantzig (75), die nog altijd praktijk houdt, vindt de pensioengerechtigde leeftijd een slechte zaak. “Pensioen was ooit een recht, maar nu is het een plicht geworden”, zegt hij. “Over de gevolgen van die verschuiving is nauwelijks nagedacht. Een minderheid van de ouderen lijdt onder die algemene valbijl. Hun wordt dus onrecht aangedaan. Mijns inziens is discriminatie van een minderheid een gevaar voor de democratie.”

Onverbiddelijk

De Nederlandse wet is op dit punt echter onverbiddelijk. In 1992 stelde het ambtenarengerecht in Rotterdam een professor in het ongelijk die in beroep was gegaan tegen zijn pensionering. De hoogleraar staats- en bestuursrecht beschouwde zijn gedwongen uittreden als een vorm van leeftijdsdiscriminatie. Maar de rechter was het daar niet mee eens; ontslag op 65-jarige leeftijd, zo zei hij, is niet in strijd met artikel 1 van de Grondwet, dat discriminatie op grond van ras, geslacht, nationaliteit, godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, seksuele geaardheid en burgerlijke staat verbiedt. Bovendien hebben 65-jarigen recht op AOW en op een aanvullend pensioen,terwijl jongeren moeten werken voor hun inkomen.

De politiek is eenzelfde mening toegedaan. Vorige week wees premier Kok een verhoging van de pensioen- gerechtigde leeftijd nog van de hand nadat de werkgeversvereniging VNO-NCW eerder een pleidooi hield voor een verhoging van 65 tot 67 jaar. PvdA en D66 zijn al langer fel tegenstander van zo'n verhoging; alleen de VVD heeft er wel oren naar, blijkens het verkiezingsprogramma van twee jaar geleden.

Ook de nieuwste notitie van PvdA-minister Melkert, die een eind wil maken aan het stellen van leeftijdsgrenzen bij de werving en selectie van personeel, gaat niet in op de eventuele wens van ouderen om langer door te werken. Een woordvoerder van het ministerie van Sociale Zaken: “De minister is voorlopig niet van plan die vorm van leeftijdsdiscriminatie - als je überhaupt van discriminatie kunt spreken - aan de orde te stellen.”

Voorzichtig, maar steeds vaker, wordt gesproken over demotie, het terugzetten van ouderen in lagere posities tegen een lager salaris, om ruimte te maken voor jongere collega's. De FNV heeft het erover en ook minister Melkert zei vorige maand in antwoord op kamervragen van de Ouderenpartij, dat er - zolang het op basis van vrijwilligheid geschiedt - positieve aspecten aan demotie kunnen zijn.

Kassadames

Hoe denken ouderen zelf over hun pensioen? In het Europees jaar van de ouderen (1993) hield de Vrije Universiteit een steekproef naar de opvattingen over ouderen. Vijfenzeventig procent van de ondervraagden bleek voorstander van een flexibele pensionering. Van de zeventig-plussers gaf zo'n driekwart er de voorkeur aan zelf zijn pensioendatum vast te stellen. Bovendien bleek een meerderheid van de voorstanders van flexibele pensionering ook voor het instellen van een wettelijke regeling tegen leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt.

Dat betekent overigens niet dat oudere werknemers massaal na hun 65ste willen blijven doorwerken. Integendeel. Uit een recente enquête van het Nederlands Interdisciplinair Instituut (NIDI) in Den Haag blijkt dat tachtig procent van de werknemers van plan is gebruik te maken van de vut. Tot die conclusie kwam onderzoeker K. Henkens die ruim twaalfhonderd oudere werknemers van Unilever, Heineken en Koninklijk Bijenkorf Beheer interviewde. Volgens Henkens wil slechts zes procent van de ondervraagden doorwerken tot aan het pensioen. Hij moet dan ook smakelijk lachen wanneer het thema leeftijdsdiscriminatie aan de orde komt. “Discriminatie? Dat is toch flauwekul. Misschien dat hoogleraren verder willen na hun vijfenzestigste, maar de kassadames bij de Hema staan daar zeker niet om te springen.”

Bij de beslissing van oudere werknemers om al dan niet te stoppen met werken speelt de houding van de partner een belangrijke rol, aldus Henkens. “Uit ons onderzoek blijkt dat de meeste partners negatief staan tegenover langer doorwerken. Dat zie je terug in de statistieken.”

Een andere factor die hij noemt is de - nooit eerder onderzochte - rol van de werkgever bij 'uittredegedrag'. Henkens: “Oudere werknemers lijken wel degelijk bereid nog even te blijven werken wanneer zij het idee hebben dat hun werkgever dat op prijs stelt. De helft van de ondervraagden had echter het gevoel dat het hun baas om het even was.”

Dat de meeste werkgevers hun oudere werknemers vaak liever zien gaan dan komen omdat ze te duur of niet rendabel genoeg zouden zijn, is geen geheim. Toen het Nederland Economisch Instituut (NEI) in 1995 een statistiek produceerde waaruit bleek dat de arbeidsproduktiviteit van een bijna-pensioengerechtigde nog maar veertig procent is van die van een veertiger, barstte een storm van kritiek los. Hoewel de onderzoekers rekening hadden gehouden met zaken als opleidingsniveau en arbeidsomstandigheden, was de overheersende mening dat 'arbeidsproduktiviteit' een moeilijk meetbaar begrip is.

Ouderen-medewerker bij de FNV H.J. Leemreize merkte tijdens een symposium in Nijmegen met enige ironie op: “De conclusie van deze suggestieve grafiek is duidelijk: werknemers van boven de 57 zijn niet meer rendabel.” Als er al sprake is van een teruglopende produktiviteit, zegt Leemreize, dan heeft dat meer te maken met het feit dat oudere werknemers anno 1996 nauwelijks meer betrokken worden bij nieuwe ontwikkelingen binnen het bedrijf. “En scholing hè, dat is vaak niet meer aan de orde.” Vervroegde afschrijving, noemt de FNV'er het. “De wereld verandert razendsnel. Houdt een werkgever bij veertig, vijftig jaar op met investeren in zijn werknemer, dan is het toch volstrekt evident dat de arbeidsproduktiviteit met sprongen achteruit gaat?”

R. van Rijsselt, docent sociale gerontologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam beaamt die visie ten stelligste. “Sterker nog,” zegt hij, “naar mijn mening kun je bij de meeste bedrijven niet eens meer spreken van een personeelsbeleid voor veertig-plussers. Bij die leeftijd houdt het gewoon op. Geen functioneringsgesprekken, geen om- of bijscholing, niets. Mensen wordt de kans ontnomen zich verder te ontplooien en ja, dan raak je vanzelf wel burned out.”

Van Rijsselt heeft een leeftijdseffect-rapportage ontwikkeld waarmee hij wil nagaan wat voor gevolgen het personeelsbeleid van bedrijven heeft voor de samenstelling van hun arbeidspopulatie. Zijn uiteindelijke doel is het veelal negatieve beeld dat over oudere werknemers bestaat te nuanceren. “De eerste reacties zijn niet echt bemoedigend. Laatst had een werkgever het over 'achterstallig onderhoud' - daar bedoelde hij zijn oudere werknemers mee. Het is zaak dat werkgevers leren luisteren naar hun werknemers, en andersom. Dus: 'Piet, je bent nu 55, wat zijn je ideeën over de komende vijf, tien jaar? Wil je eerder uittreden, of juist doorwerken? Hoe kunnen we jou als bedrijf de in dienst houden?'.”

Flexibele uittredingsregelingen, in hoeverre is zoiets haalbaar? Volgens Van Rijsselt is het meer een kwestie van personal goodwill dan political goodwill. “Neem die notitie van Melkert. Op zich is die natuurlijk een mooi politiek signaal, maar het is veel te beperkt. Met werving en selectie ben je er nog lang niet. Het gaat ook om alles eromheen: salariëring, opleiding, doorstroming en wie weet zelfs demotie. De vraag is: hoe groot is de bereidheid van zowèl werkgevers als van werknemers om offers te brengen?”

Prijsprikkel

Van Rijsselt is niet de eerste die voorzichtig een lans breekt voor demotie, een neerwaartse stap voor oudere werknemers op de carrièreladder en loonlijst. Terwijl het FNV officieel het standpunt huldigt, dat demotie 'een verkeerde prijsprikkel' is voor werkgevers, liet FNV-ouderenmedewerker Leemreize tijdens het symposium in Nijmegen vorig jaar andere geluiden horen. “Moet het ook mogelijk worden gemaakt dat mensen er in functie (en eventueel in salaris) op achteruit gaan?” vroeg hij zich af. “Ik zou zeggen: ja, in individuele gevallen moet je dat zeker niet uitsluiten. Maar we moeten demotie ook weer niet als dè oplossing zien.”

Uit het onderzoek van NIDI-medewerker Henkens blijkt dat oudere werknemers weinig voor demotie voelen. Slechts twee procent van de ondervraagden is - in principe - voorstander van het betrekken van een functie op lager niveau in de toekomst. Een van de ondervraagden: “Het vergt veel aanpassings- en incasseringsvermogen om in een lagere functie te gaan werken. Oud-collega's zien je niet meer als gesprekspartner. De nieuwe collega's hebben geen flauwe notie wat je hebt meegemaakt en hebt bereikt voor het bedrijf.”

Naast een leeftijdsbewust personeelsbeleid komt ook herijking van de vut steeds vaker aan de orde. In de zomer van 1993 stelde de Stichting van de Arbeid een aantal aanbevelingen op over 'werkend ouder worden'. Om de arbeidsparticipatie van ouderen op peil te brengen was een kritische heroverweging van de vut noodzakelijk volgens de sociale partners. Voor een verhoging van de pensioenleeftijd bestond echter niet veel animo. FNV-ouderenmedewerker Leemreize vindt dat verklaarbaar. “Gemiddeld houden mensen nu met hun 57ste op met werken. Een verhoging van de pensioenleeftijd lijkt me daarom nog lang niet aan de orde. Als we er voor kunnen zorgen dat een kwart of een derde van die vroege uittreders gewoon tot hun pensioen blijven doorwerken, dan scheelt dat al heel veel op de pessimistische prognoses voor de komende jaren.”

Volgens de meest recente bevolkingsprognose van het CBS daalt het aandeel van de beroepsgeschikte bevolking (20-64 jaar) tussen nu en 2015 van 62,5 naar 60 procent. Het percentage 65-plussers neemt met 3,5 procent toe. Een demografische ontwikkeling waar met name werkgevers rekening mee moeten houden, vindt Van Rijsselt. En niet alleen vanwege de stijgende loonkosten. “Bedrijven hebben zich blind gestaard op jongere werknemers, de 45-minners. De vergrijzing zet de komende jaren door, maar de meeste werkgevers hebben geen idee hoe ze met hun oudere werknemers moeten omgaan,” meent hij. “Het gaat tenslotte om een andere groep, met andere eisen. Om mensen die fysiek en cognitief verschillen van hun jongere collega's. Dat gaat ongetwijfeld gepaard met een herwaardering van het begrip 'arbeid'.”

Betekent dit ook dat mensen als Van Dantzig en Schaafsma in de toekomst geen uitzondering meer zullen vormen? Dat pensionering niet langer een plicht, maar een recht is? Als het aan het Landelijk Bureau Leeftijdsdiscriminatie ligt wel. Directeur L. Christ: “Zo'n psychiater is een goed voorbeeld, omdat meestal geldt: hoe ouder, hoe wijzer. Maar er zijn ook beroepen waarvan ik denk, het is maar goed dat er zo'n leeftijdsgrens bestaat.” Melkerts notitie vindt zij niet meer dan een aanzet: “Het is een totaalpakket. Dus een verbod op leeftijdsgrenzen bij werving en selectie èn flexibele pensioenering èn meer aandacht voor doorstroming, scholing en promotie. Demotie vindt zij “een gemakkelijk instrument voor werkgevers om geld te besparen”. Dus toch weer een nieuwe vorm van leeftijdsdiscriminatie? “Ik vrees van wel.”

    • Danielle Pinedo