Cubaanse dilemma's

GEOFF SIMONS: Cuba. From Conquistador to Castro

416 blz., Macmillan 1996, ƒ 84,55.

MARÍA CRISTINA GARCÍA: Havana USA

290 blz., University of California Press 1996, ƒ 86,75.

Zo'n vijfendertig jaar geldt het Amerikaanse embargo tegen Cuba nu al. De recent aangenomen Helms-Burton wet doet daar nog een schepje bovenop door ook buitenlandse bedrijven die zaken doen met Cuba te straffen, al heeft president Clinton juridische acties voorlopig uitgesteld. Vrij algemeen is verontwaardigd gereageerd op deze inmenging in de handelspolitiek van landen die in principe weinig te maken hebben met de Amerikaans-Cubaanse vete. Maar de chantage dreigt te gaan werken. Zo heeft de ING-Bank zich schielijk teruggetrokken uit de financiering van de Cubaanse suikerindustrie, zeer tot ongenoegen van de Europese Commissie, die de principiële strijd juist wilde aangaan. Of de Helms-Burton wet het beoogde effect zal hebben is overigens onzeker. Zal Clinton (of Dole) de goede relaties met Europa, Latijns-Amerika en Japan werkelijk tot het uiterste op het spel zetten ten dienste van de Cubaans-Amerikaanse lobby en een verdere isolatie van het inmiddels toch al bankroete en politiek ongevaarlijke Cuba?

Inmiddels kan de beoogde verscherping van het embargo Cuba evenzeer te stade komen als hinderen. Castro scoort voor open doel: Kijk de VS toch eens onredelijk zijn tegenover derden, en onmenselijk tegen ons eiland dat toch al door vijfendertig jaar embargo in de grootst mogelijke problemen leeft! En inderdaad, hoewel bijvoorbeeld in Europa de teleurstelling over het achterwege blijven van ook maar de minste politieke opening op het eiland de betrekkelijk ontspannen relatie tot Cuba zwaar heeft belast, brengen de VS met de Helms-Burton wet beide partijen weer dichter bij elkaar. Intussen wordt de kern van de zaak aan het oog onttrokken: dat het embargo Cuba weliswaar in economische zin heeft gedupeerd, maar in politieke zin alleen maar van pas komt. Mogelijk is dit laatste aanmerkelijk belangrijker. Het vele dat op Cuba fout is gegaan wordt al decennia routineus toegeschreven aan Amerikaanse obstructie.

Exodus

Ook Geoff Simons hangt deze zienswijze aan. Cuba. From Conquistador to Castro start en eindigt met hoofdstukken die vooral één lange tirade zijn tegen het Amerikaanse beleid. Daartussenin liggen vijf lange hoofdstukken die de geschiedenis van het eiland vertellen, alles geïnterpreteerd als opmaat naar het heden. Boeken als Cuba. From Conquistador to Castro worden zeldzaam, en ik kan er niet rouwig om zijn. Wat bezielt een gerenommeerde uitgever een boek te publiceren dat wemelt van de fouten, niets nieuws biedt en zelfs niet meeslepend is geschreven? Eigen onderzoek heeft Simons niet verricht. Alles wat hij schrijft over de geschiedenis is door anderen al beter te boek gesteld. Zijn visie op de lotgevallen van de revolutie is dermate eenzijdig, dat lezing ervan althans op mij juist het tegengestelde bereikt van wat Simons hoopt te bewerkstelligen. Dat hij Cuba als slachtoffer van de Amerikaanse agressie graag in één adem noemt met Irak helpt ook al niet. Simons heeft er kennelijk alles aan gedaan om zijn politieke obsessies, en vooral zijn afkeer van de VS, niet te laten verstoren door feitelijke kennis van de situatie op Cuba. Inmiddels leven ruim één miljoen Cubanen in Amerika. Over de exodus, die direct in 1959 op gang kwam, heeft Simons weinig te vertellen, afgezien van sneeren naar reactionaire politieke leiders uit deze gemeenschap en naar het inderdaad vaak hypocriete optreden van de VS. De oorzaken van de uittocht laat Simons grotendeels onbesproken, daar dát verhaal het zijne zou ondermijnen.

In Havana USA hanteert María Cristina García een tegengesteld perspectief. Hoewel haar studie zich richt op de Cubaans-Amerikaanse gemeenschap in Florida, wordt duidelijk dat in haar optiek de vluchtelingen weinig keus hadden dan het gevallen paradijs te ontvluchten. De sympathie waarmee zij de Cubanen in hun nieuwe omgeving beschrijft is niet verwonderlijk: geboren op Cuba groeide zij op in de ontluikende Cubaans-Amerikaanse gemeenschap van Florida.

Over deze gemeenschap is veel geschreven, maar Havana USA wordt met enig recht aangeprezen als de eerste omvattende studie. Allereerst beschrijft García de verschillende fasen van de exodus. Terwijl de eerste golf exiliados overwegend bestond uit een blanke, goed geschoolde middenklasse, groeide in de volgende decennia het aandeel van de minder gepriviligeerde Cubanen (lagere klassen, zwarten). García analyseert de Amerikaanse reacties op de opeenvolgende immigratiegolven. Overwegend blank, politiek conservatief en op en top kapitalistisch werden de eerstgekomenen spoedig geprezen als modelmigranten, als belichaming van de American dream. Die lof kwam vooral uit Washington, waar de Cubaanse enclave als antipode van Castro werd gekoesterd. Tegelijkertijd riep hun succes ook wrevel op, vooral onder de Anglo-elite en de zwarte onderlaag van Florida zelf, dat door de ondernemende Cubanen een onstuimige ontwikkeling doormaakte. De latere immigranten riepen niet alleen weerstanden op in de buitenwereld, maar ook onder de Cubaanse Amerikanen zelf, die vreesden dat problemen onder de nieuwkomers ook hun imago zou aantasten.

Ressentiment

García geeft het opmerkelijke inburgeringstraject van de Cubaanse Amerikanen bekwaam weer. Naarmate duidelijker werd dat Castro's revolutie geen snel voorbijgaande episode was verschoof hun oriëntatie richting VS. Vanuit de eigen etnische enclaves en met steun vanuit Washington werden indrukwekkende economische en sociale prestaties geleverd. Weliswaar bleef de Cubaans-Amerikaanse lobby tegen een Amerikaanse toenadering tot Castro militant en effectief, maar tegelijkertijd groeide de oriëntatie op lokale en nationale politiek. Eerste- en tweede-generatie Cubanen domineren nu het politieke leven van Florida en specifiek Miami, de hoofdstad van Latijns-Amerika. Dat de Cubaanse Amerikanen altijd bij Cuba betrokken zullen blijven lijkt duidelijk, maar of zij ooit terugkeren, wat er ook aan de overzijde gebeurt, wordt steeds twijfelachtiger.

De Cubaanse gehechtheid aan eigen cultuur, en vooral hun Spaans, bleef veel onbegrip wekken. Tegen wil en dank werd Florida tweetalig. De Cubanen bleven zich als anders afficheren: loyaal, kapitalistisch, anti-communistisch, maar toch ook en vooral Cubaans. Het ressentiment dat die houding opriep verhult García niet. Toch blijven de hoofdstukken waarin zij een beeld schetst van de turbulente ontwikkeling van het politieke en culturele leven weliswaar instructief, maar ook wat vlak. Hetzelfde geldt voor het haast bezwerende optimisme waarmee zij betoogt dat ook de meer recente migratiegolven uiteindelijk steeds succesvol worden geabsorbeerd in de florerende Cubaans-Amerikaanse gemeenschap. Het is lastig navigeren tussen distantie en loyaliteit.