Bordeaux

De wijnstad van Frankrijk roept bij Nederlandse wielrenners warme herinneringen op. Van de 69 aankomsten in Bordeaux ging de ritzege elf maal naar een Nederlander. Dekkers in 1952, Nolten in 1953, Faanhof in 1954, Wagtmans in 1955, De Roo in 1965, Karstens in 1976, Priem in 1980, Oosterbosch in 1983, Raas in 1984, Van Poppel in 1988 en Harmeling in 1992.

Vijftien procent lijkt een bescheiden gemiddelde, maar de totaalcijfers geven een vertekend beeld. De zeges stammen van na de oorlog, toen de wielersport steeds populairder werd in Nederland.

In 1956 leek er voor de vijfde achtereenvolgende maal een landgenoot te winnen in Bordeaux, maar Van der Pluym werd op de laatste meters verrast door de Fransman Hassenforder. Dolle Hassen had de Brabander de zege beloofd in ruil voor een aantal bonificatiepremies. Bij de finish werd de afspraak geschonden.

Van der Pluyms provinciegenoot Blijlevens had zich de laatste maanden verheugd op de etappe naar Bordeaux, vooral om zijn ploegleider Priem naar de kroon te steken. In 1980 arriveerde de karavaan voor het eerst aan het Lac, ver buiten de oude binnenstad. Priem trok de sprint aan voor zijn kopman Raas, die in de stromende regen op het laatste moment in de remmen kneep. De knecht mocht de etappe winnen.

Vier jaar later won Raas de sprint zelf, op de oude scheepskade die vernoemd is naar Lodewijk XVI en uitkijkt over de Garonne. Achteraf bleek dat Raas een pact had gesloten met Madiot, die niet in dezelfde ploeg reed maar wel voor hem de spurt aantrok. De Fransman verscheen na de Tour in bijna alle lucratieve Nederlandse criteriums aan de start, ongetwijfeld als dank voor bewezen diensten.

    • Jaap Bloembergen