Algerije

JULES ROY: Adieu ma mère, adieu mon coeur

202 blz., Albin Michel 1996, ƒ 36,50

Adieu mijn moeder, adieu mijn hart. Jules Roy, nu bijna negentig jaar, is nog eenmaal naar zijn geboorteland gereisd om rozen op het graf van zijn moeder te leggen. Het is een aangrijpend verslag geworden, waarin het door dagelijkse moordpartijen geteisterde Algerije een macaber decor vormt voor de jeugdherinneringen van de schrijver.

Al zo'n halve eeuw geldt Jules Roy als een non-conformistische schrijver en een diep gelovige vechtjas. Een christelijk mysticus met trekken van een moderne kruisvaarder. In de oorlog heeft hij als piloot van de Royal Air Force bij nachtelijke bombardementsvluchten naar Duitsland grote persoonlijke risico's gelopen. Wat hem niet verhinderde om in zijn roman La vallée heureuse (1946) de tapijtbombardementen van de geallieerden op Duitse steden aan de kaak te stellen. In 1953 keerde hij - met de rang van kolonel - het Franse leger de rug toe uit protest tegen de napalmbombardementen die de Fransen op de Vietminh uitvoerden. Zeven jaar later verwierf Jules Roy internationale bekendheid met zijn boek La Guerre d'Algérie, waarin hij de folteringsmethoden van het Franse leger veroordeelde.

Adieu ma mère, adieu mon coeur is een mengsel van actuele verslaggeving en jeugdherinneringen, met nadruk op het laatste. Als een rode draad er doorheen loopt de monoloog die Jules Roy tegen zijn vriend Albert Camus voert, aan wie hij trouwens La Guerre d'Algérie al had opgedragen. Jules Roy bracht zijn kinderjaren onder tamelijk behoeftige omstandigheden op een boerderij door. Daarna werd hij als talentvolle jongen naar het seminarie in Algiers gestuurd. Hij erkent dat hij tot zijn ontmoeting met Camus in 1945 het conformisme van zijn Europees-Algerijnse milieu deelde. Hij citeert zijn aanbeden moeder, die hem al vroeg voorhield: “Pas op voor de Arabieren, mijn zoon, er zijn er te veel” en “De Arabieren zijn een ras van bedelaars, luiaards en domkoppen”.

Op een terrasje in het Quartier Latin heeft Camus hem in 1945 (Roy was toen al 38 jaar) de ogen geopend. Hij beschrijft hoe de auteur van L'Etranger hem voorhield dat “de Arabieren, net als jij en ik, gewone mensen zijn”.

“Zoals ik, met een ziel?”, vroeg Roy.

“Zoals jij”, antwoordde Camus.

Jarenlang liepen hun denkbeelden parallel. Beiden voelden zich heen en weer getrokken tussen hun verlangen naar gerechtigheid voor de mohammedaanse meerderheid en aanhankelijkheid aan de Europeanen. Maar tegen het einde van de jaren vijftig ontstonden er meningsverschillen tussen de twee schrijvers. Camus bleef weliswaar geloven dat het Algerijnse volk waardigheid en recht moest worden toegekend, maar hij meende tevens dat er geen sprake kon zijn van onafhankelijkheid omdat er nooit een Algerijnse natie was geweest. Als hij echt moest kiezen, zou Camus zijn moeder boven de rechtvaardigheid verkiezen. Voor de rebel Jules Roy was dit onaanvaardbaar. “Bekeerd tot de religie van de rechtvaardigheid, werd ik subversief”, schrijft hij nu.

Dat alles is geschiedenis. Zo principieel als Roy al vroeg voor de onafhankelijkheid van Algerije had gekozen, zo gedesillusioneerd klinkt nu zijn verslag van wat er van die onafhankelijkheid is geworden. De Algerijnen moorden elkaar uit. Zijn tocht naar het graf van zijn moeder kon alleen onder zwaar militair escorte plaatsvinden. De vermaarde Mitidja-vlakte rondom Algiers, waar eens boom- en wijngaarden tot aan de horizon reikten, is tot totale desolaatheid vervallen.

De pieds-noirs met hun rassenwaan en hoogmoed, hebben zich afschuwelijk gedragen, oordeelt Jules Roy. Toch heeft hij ook warme woorden voor dit verdreven Middellandse Zee-volk: “Zij hebben een ondankbare bodem in een paradijs veranderd, zij hebben het overgoten met hun zweet (...). Van overal gekomen, als het ware aangezogen door het avontuur, soms daarheen verbannen door de revoluties, en arm, hebben zij nog armeren dan zijzelf aangetroffen. Plotseling eigenaar geworden van wat Frankrijk van de Arabieren had afgeperst, hebben zij zichzelf rijk en in eigen huis gewaand. Voor hen waren de Arabieren hun dienaren”.

    • Eric Boogerman