Zwoele avond rond station Gaasperplas

Aan het eindpunt van de metro richting Zuidoost, net even voorbij het enige bijna-getto van Nederland, ligt Gein: een wijk als een dorpje. Barbecues, grasmaaimachines en oppasmoeders in de suburbia van Amsterdam.

Als je denkt dat je heel Amsterdam achter je hebt liggen, als je de hoogbouwflats van de Bijlmermeer hebt gehad en de kantoorjungle die daarbuiten tiert, de rijksweg A9 en het Academisch Medisch Centrum, dan maakt de metrolijn naar Gein een scherpe bocht naar links en begint ineens een nieuw stuk stad op dorpse schaal. Eerst lage flats, verderop eengezinswoningen.

De eerste halte is Reigersbos. Hier stapt Manja Teesink uit voor de boodschappen in het winkelcentrumpje. Twee snoepwinkels, meisjes van acht of negen die elk ijsje stuk voor stuk omhooghouden en vragen wat-die kost. De slager heeft zakken houtskool en briketten in de aanbieding. Bij Blokker zijn de tuinmeubelen buitengezet. Het wordt een zwoele zomeravond in suburbaan Amsterdam.

Teesink woonde eerst twee metrohaltes meer naar het noorden, in een van de flats bij station Holendrecht. Plezierige woningen, maar het is er in de loop der jaren viezer en onaangenamer geworden. Portiek en trappenhuis vergroezelden. “Er kwamen alleen nog mensen uit de laagste inkomensgroepen bij”, zegt ze aarzelend.

De Bijlmermeer is mislukt. Vijfentwintig jaar na de bouw ervan is de eerste flat alweer tegen de grond geslagen. Wat een moderne middenklasse-wijk had moeten zijn, werd een buurt waar huisartsen 's avonds liever niet op bezoek gaan, en waar postorderbedrijven overdag alleen met extra veiligheidsmaatregelen hun waren kunnen brengen - twee man met een hond die in de bestelwagen blijft terwijl zij bezorgen. 's Avonds willen de vervoerders helemaal de wijk niet meer in.

Belangrijkste kenmerk en belangrijkste factor in het uiteindelijk failliet van de wijk: veel openbare en semi-openbare ruimte. De bouwers gingen ervanuit dat de bewoners zich belangeloos om hun huis, hun buren en de omgeving zouden bekommeren. Maar al gauw werden die ruimtes in bezit genomen door ieder die het daglicht niet wilde zien. In het overvloedige groen tussen de gebouwen, de parkeergarages en de 'binnenstraten' op de onderste verdieping van de flats houden zich junks op, tippelhoeren en straatrovers.

De ruimtelijke vernieuwing van de Bijlmermeer (kosten 900 miljoen gulden) die nu in volle gang is, gaat minder van idealen uit, meer van ervaring. Bewoners bekommeren zich nu eenmaal meer om hun omgeving als die werkelijk van henzelf is. Het openbare groen wordt tuintjes en enkele hoogbouwflats gaan tegen de vlakte om plaats te maken voor eengezinswoningen. Die zijn ook wat duurder, en moeten de meer kansrijke bewoners in de buurt houden. Dat lijkt te lukken. Zag je vroeger vooral forensen vanaf station Bijlmer of Holendrecht richting Centraal Station rijden, nu staan er ook kluitjes richting Gein.

Hier woont Teesink sinds drie jaar, in de wijk die Gein 4 heet, en waar de Gamma en de Bouwvaria zo te zien goede zaken doen. “Ik heb een tuin en een zolder, dus dat mag je wel woonpromotie noemen.” Het is niet alleen maar een verbetering, zegt ze erbij. In Holendrecht was het iets minder voorspelbaar wie er naast je woonden. Rond Gein wonen relatief veel jonge, werkende gezinnen.

Een paar cijfers zeggen iets over het verschil tussen oude Bijlmer en de nieuwere laagbouwwijken. In het oude deel, waar bijna 50.000 mensen wonen, staan 9.400 werkzoekenden geregistreerd. In het gebied ten zuiden ervan (bijna 40.000 inwoners) zijn dat er 4.200. De sociale betrokkenheid lijkt daar bovendien groter. Bij de gemeenteraadsverkiezingen kwam in de Bijlmermeer tussen de 40 en 45 procent van de kiezers stemmen. In de nieuwe wijken was dat tussen de 55 en 60 procent.

Toch, zegt Teesink, heeft de buitenwereld alleen dat ene beeld van Zuidoost, dat van de hoogbouwflats. “Als ik aan mensen vertel waar ik woon, ook Amsterdammers, trekken ze een vies gezicht. Alles onder het Amstelstation is voor hun Bijlmermeer.”

    • Bas Blokker